Achterstallig cumulatief salaris betalen
In dit artikel:
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkgever het achterstallige loon van de onderbewindgestelde alsnog moet betalen. De bewindvoerder bracht namens de werknemer een spoedeisende vordering in omdat het salaris nodig is voor levensonderhoud (onder meer huur). Het geschil betreft de periode 1 juli tot 1 november 2025; de werknemer was sinds 1 november 2022 in dienst als bedrijfsleider op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst van 40 uur per week.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf van toepassing. De kantonrechter stelde vast — onbetwist door de werkgever — dat de functie bedrijfsleider gelijk moet worden gesteld aan de cao-functie ‘bedrijfsbeheerder I’ (functiegroep 4). Voor een 40-urige werkweek hoort daarbij een bruto maandsalaris van € 2.528,93. Omdat de werkgever niet het volledige cao-loon had betaald, vorderde de bewindvoerder het verschil over vier maanden: in totaal € 10.115,72 bruto minus reeds uitbetaald € 2.740,- netto. De rechter wees deze vordering toe.
Daarnaast kreeg de onderbewindgestelde toegewezen:
- 8% vakantietoeslag over het achterstallige loon (€ 809,26 bruto), en
- uitbetaling van 66,67 opgebouwde vakanturen ter waarde van € 972,72.
De kantonrechter kent ook de gevorderde wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris, de vakantietoeslag en de vakantie-uren toe, plus wettelijke rente. Voorts is de werkgever veroordeeld om binnen 14 dagen (na betekening van het vonnis) correcte salarisspecificaties te verstrekken over de periode 1 november 2022 tot 1 november 2025. Bij niet-naleving geldt een dwangsom van € 75 per dag, maximaal € 2.500.
Kort: het gerecht verplicht de werkgever tot betaling van het onbetaalde loon en bijkomende vergoedingen en legt hem op de gevraagde loonstroken te leveren, omdat de cao-inschaling en de gevorderde bedragen door de werkgever niet waren bestreden.