Analyse coalitieakkoord - wat betekent dit voor het inkomen?

zondag, 22 februari 2026 (17:51) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Het kabinet van D66, VVD en CDA legt in het Coalitieakkoord 2026–2030 maatregelen voor die de overheidsfinanciën op korte termijn verzwaren, maar op de lange termijn tot hogere schuld leiden, zo concludeert een analyse van het CPB en PBL. Centraal staan lastenverzwaringen, versoberingen in sociale zekerheid en verschuivingen in pensioenen en arbeidsvoorwaarden.

Belangrijkste veranderingen en timing
- Zorg: het eigen risico stijgt, wat leidt tot lagere nominale zorgpremies en tot compensatiemaatregelen in de belastingtarieven.
- Belasting: in 2027–2028 wordt de toepassing van de tabelcorrectiefactor beperkt (schijfgrenzen en heffingskortingen), wat vooral gezinnen extra belast (ongeveer €1,5 mld in 2027 en €3,4 mld vanaf 2028). Vanaf 2027 stijgt ook het tarief in de eerste twee box-1 schijven.
- Werk en uitkeringen: de maximale WW-duur wordt vanaf 2028 teruggebracht naar één jaar; vanaf 2030 wordt de referte-eis verscherpt en de opbouw van WW-rechten vertraagd. De WW-uitkering is kortstondig hoger (80% in de eerste twee maanden), daarna 70%. Deze ingrepen leveren grofweg €1,2 mld in 2030 op, oplopend naar €1,5 mld in 2032.
- Maximumdagloon en arbeidsongeschiktheid: per 2029 gaat het maximumdagloon 20% omlaag voor bestaande en nieuwe uitkeringen (WIA, WW e.a.), effect circa €0,7 mld in 2030. De IVA voor volledig arbeidsongeschikten wordt vanaf 2030 afgeschaft voor nieuwe aanvragers (kleinere kortetermijnbesparing, groter op termijn).
- Pensioen/AOW: de koppeling van AOW- en pensioenleeftijd aan levensverwachting wordt vanaf 2033 strikter (een-op-een), waardoor de AOW-leeftijd in 2060 naar verwachting rond 70,5 jaar stijgt en dit op lange termijn miljarden bespaart. Verder wordt de aftoppingsgrens voor pensioenen 2027–2032 bevroren.
- Bedrijven: Aof-premies voor werkgevers stijgen taakstellend met €1,7 mld.

Gevolgen voor huishoudens en arbeidsmarkt
- Gemiddelde koopkracht daalt ongeveer 0,4% per jaar; reële loonontwikkeling bij cao’s vermindert licht (−0,1 procentpunt per jaar). Inflatie verandert niet wezenlijk.
- Lagere inkomens zijn relatief kwetsbaarder: zij lijden meer onder het hogere eigen risico en profiteren minder van kindregelingen, waardoor de koopkrachteffecten ongelijker verdeeld zijn en het armoederisico licht stijgt.
- De inkomenszekerheid neemt af door kortere WW- en loongerelateerde WIA-uitkeringen en het verlagen van het maximumdagloon.

Kortom: het akkoord bevat mixen van kostenbeperkende maatregelen en lastenverzwaringen die op korte termijn budgettaire ruimte creëren, maar die vooral bij lagere inkomens en in de vorm van minder inkomenszekerheid pijn doen, terwijl de structurele gevolgen op langere termijn complex en deels tegenstrijdig zijn.