Coassistent en vergoedingen: fictieve dienstbetrekking en vrijwilligersregeling?

maandag, 2 februari 2026 (14:51) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

De Kennisgroep loonheffing algemeen van de Belastingdienst heeft een standpunt gepubliceerd over de fiscale behandeling van vergoedingen aan coassistenten bij universitaire medische centra (UMC) en ziekenhuizen.

Wat en wanneer: de cao UMC 2024–2025 kent vanaf 1 juli 2025 een kostenvergoeding van €120 per maand (ter compensatie van studiekosten). De NVZ-cao 2025–2027 staat toe dat coassistenten maandelijks €150 aan studiekosten declareren en ontvangen daarnaast een stagevergoeding van €150 per maand (geïndexeerd; bedoeld als bijdrage in levensonderhoud). Reiskosten kunnen aanvullend vergoed worden. Coassistenten blijven tijdens hun coschappen ingeschreven bij een universiteit en betalen collegegeld.

Belastingtechnische beoordeling (wie is inhoudingsplichtig / is er een fictieve dienstbetrekking?):
- UMC’s: de kostenvergoeding wordt door de Belastingdienst als gerichte vrijgestelde vergoeding gezien (artikel 31a Wet LB 1964) en eventuele reiskosten kunnen ook onder een gerichte vrijstelling vallen. Omdat het hier om vergoeding van daadwerkelijk gemaakte studiekosten gaat en niet om beloning, ziet de Belastingdienst bij UMC-coassistenten geen fictieve dienstbetrekking; het UMC is daarom niet inhoudingsplichtig voor loonheffing over die vergoeding.
- Ziekenhuizen: de combinatie van declaratievergoeding en (maandelijkse) stagevergoeding wordt door de Belastingdienst deels als beloning opgevat omdat de stagevergoeding een bijdrage in levensonderhoud is en geen vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten. Daardoor ontstaat tussen ziekenhuis en coassistent een fictieve dienstbetrekking; het ziekenhuis is inhoudingsplichtig. De gerichte vrijstelling kan desondanks toegepast worden voor het deel dat daadwerkelijk studiekosten betreft.

Vrijwilligersregeling en grenzen: de vrijwilligersregeling van artikel 2, zesde lid, Wet LB 1964 kan bij ziekenhuizen niet verhinderen dat er een fictieve dienstbetrekking ontstaat wanneer de totaalvergoedingen de voor 2026 geldende norm van €220 per maand (of €2.200 per jaar) overschrijden. Voor de inkomstenbelasting (Wet IB 2001) geldt een eigen plafond per belastingplichtige en kan pas worden beoordeeld of er sprake is van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden als vergoedingen de redelijke werkelijke kosten overstijgen — dat hangt van feiten en omstandigheden af.

Praktische consequentie: UMC’s hoeven geen loonheffing in te houden over de studiekostenvergoeding; ziekenhuizen wél, tenzij individuele feiten en omstandigheden anders uitvallen volgens beoordeling van de inspecteur.