De oude dag van dga en zzp: niks is verloren
In dit artikel:
De pensioenomgeving voor directeur‑grootaandeelhouders (dga’s) en zelfstandigen is de afgelopen jaren grondig op de schop gegaan. Twee beproefde fiscale instrumenten — pensioen in eigen beheer (PEB) voor dga’s en de fiscale oudedagsreserve (FOR) voor zelfstandigen — zijn afgeschaft (PEB stopte per 1 juli 2017; afkoop was mogelijk tot en met 2019; de FOR werd per 1 januari 2023 discontinu). Tegelijkertijd breidt de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de derde pijler (lijfrente/banksparen) substantieel uit en zet de tweede pijler om naar een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke (vlakke) premie. Implementatie van de Wtp-kaders moet uiterlijk 1 januari 2028 zijn afgerond.
Wie: de beslissingsdrager is de ondernemer zelf — dga of IB‑ondernemer — maar de accountant, belastingadviseur of pensioenadviseur moet actief sturen en adviseren. Wat: bestaande PEB‑aanspraken zijn veelal omgezet naar een oudedagsverplichting (ODV) of afgekocht; ODV’s kennen eigen spelregels (uitkering uiterlijk twee maanden na AOW, standaardduur 20 jaar en mogelijkheid tot afstorting in lijfrente). De FOR‑balansposten kunnen en behoeven te worden gematerialiseerd door omzetting naar lijfrente/banksparen; fiscaal compenseert de aftrek van de lijfrentepremie doorgaans de boekhoudkundige vrijval in de winst. Waarom: PEB en FOR functioneerden vaak als papieren voorziening zonder daadwerkelijke liquiditeiten om toekomstige uitkeringen te betalen; de hervormingen dwingen tot reële opbouw en vermijden misbruik als uitstelpost.
Praktische consequenties en advieskaders
- Derde pijler centraal: door de verruimde lijfrenteruimte, die aansluit bij het premiepercentage uit de tweede pijler, is banksparen/lijfrente voor veel dga’s en zelfstandigen nu het meest schaalbare en fiscaal gunstige kanaal om pensioenkapitaal op te bouwen. Dit is vooral relevant nu veel meerderheidsdga’s geen toegankelijke collectieve tweedepijlerregeling (Pensioenwet) hebben en PPI’s geen dga mogen bedienen.
- FOR afwikkeling: omzetting naar een lijfrente maakt van een ‘papieren’ balanspost een reële pensioenpot, waarbij de fiscale aftrek de boekwinst compenseert. Dat vereist wel liquiditeit; gelijktijdig aflossen en opbouwen is mogelijk maar belast de cashflow.
- Jaarruimte en reserveringsruimte: de verruiming geeft zelfstandigen zonder tweede pijler meer aftrekmogelijkheden en de mogelijkheid om achterstanden in te halen. Dit vormt het fundament voor duurzame opbouw.
- Risicomanagement en partnerdekking: omdat veel opbouw nu via de derde pijler plaatsvindt, moeten overlijden‑ en partnerrechten bewust worden geregeld (bijvoorbeeld via netto overlijdensrisicoverzekeringen), omdat de derde pijler geen automatische tweede pijler‑standaarden biedt.
- Overgangsregime: dga’s met een bepaalde vorm van beschikbare premieregeling (gestaffeld) en de enige deelnemer voor 1 juli 2023 kunnen tot pensioendatum gebruikmaken van het overgangsregime, maar aanpassingen voor partnerpensioenberekening zijn vaak nodig.
Aanbeveling
Begin met volledig in kaart brengen van bestaande rechten (PEB/ODV/FOR), maak die waar mogelijk liquide (omzetting naar lijfrente/banksparen) en bouw vervolgens structureel via jaarruimte en reserveringsruimte verder. Combineer fiscale benutting met degelijke risicodekking en strakke administratie. Zo kan de nieuwe wetgeving omgezet worden in voorspelbare cashflows en duurzame financiële rust voor ondernemers.