Ex-werknemer heeft recht op uitbetaling bonus
In dit artikel:
De werknemer, sinds 15 februari 1999 in dienst en werkzaam als Head of Sales (salaris €8.731,71 bruto per maand), had zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en vordert betaling van een bonus over het fiscale jaar 2025. Die bonus baseerde hij op de doelstellingen en bonusregeling die partijen eerder voor het fiscale jaar 2024 hadden afgesproken (1 feb 2023–31 jan 2024). Er is geen nieuwe bonusregeling of nieuwe doelstellingen overeengekomen voor 2025. De werkgever weigerde uitbetaling met het betoog dat daardoor geen bonus verschuldigd zou zijn.
De kantonrechter oordeelt voor de werknemer. In de 26 jaar dienstverband bestond steeds aanspraak op bonus of commissie; binnen de onderneming was gebruikelijk dat, bij ontbreken van een nieuwe regeling, de bestaande regeling werd voortgezet. Deze praktijk bleek uit verklaringen van twee oud-topfunctionarissen die de werknemer overlegde en die de werkgever niet weerlegde. De werkgever had, als hij andere voorwaarden wilde, tijdig met de werknemer moeten overleggen; dat is niet gebeurd. De werknemer mocht erop vertrouwen dat de oude regeling doorliep.
Ook het beroep van de werkgever op een discretionaire bevoegdheid in de bonusregeling faalt. De rechter wijst erop dat die bevoegdheid niet onbeperkt is en moet voldoen aan het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). De regeling bevat geen duidelijke criteria voor matiging of afwijzing, en de werkgever heeft geen objectieve maatstaven of administratie getoond om zijn weigering te onderbouwen. Alleen aanvoeren dat de financiële situatie slecht zou zijn en dat de directie geen bonus kreeg, volstaat niet.
Concreet geeft het bonusschema bij 100% realisatie recht op €104.781 bruto. De rechter stelt vast dat de werknemer voor 2025 50% van de doelstellingen heeft behaald: 20% voor twee raamovereenkomsten met klanten op de prospectlijst en 30% voor het verzorgen van een seminar (minimaal 100 deelnemers en gemiddelde beoordeling ≥7). Dat leidt tot een verschuldigde bonus van €52.390,50 bruto. Omdat de werkgever te laat is met betaling, wordt ook wettelijke rente toegewezen.
De gevraagde wettelijke verhoging (boetebeding) wijst de kantonrechter af: het betreft een eenmalige, forse bonusbetaling en de non-betaling kwam voort uit een principieel meningsverschil tussen partijen, zodat matiging gerechtvaardigd is.