Fiscale ongelijkheid gezinnen eenverdieners en tweeverdieners - antwoord op vragen
In dit artikel:
Staatssecretaris Eerenberg van Financiën heeft de Tweede Kamer antwoorden gestuurd op vragen over de belastingverschillen tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen. Uit de toelichting blijkt dat tweeverdieners bij een gelijk bruto gezinsinkomen netto meer overhouden dan een huishouden waarin één partner werkt. In een rekenvoorbeeld met een gezinsinkomen van 70.000 euro scheelt dat ruim 15.800 euro per jaar, al benadrukt het kabinet dat zulke huishoudens niet één-op-één vergelijkbaar zijn, omdat twee werkenden samen meestal meer uren maken dan één verdiener.
Volgens het ministerie komt het verschil vooral door de individuele belastingheffing en het progressieve tarief: inkomen dat door twee personen wordt verdiend, valt gemiddeld gunstiger uit dan hetzelfde bedrag bij één salaris. Dat systeem moet arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid stimuleren, omdat de minstverdienende partner dan minder snel wordt ontmoedigd om meer te werken. Tegelijk erkent het kabinet dat de belastingdruk op huishoudniveau voor eenverdieners hoger uitpakt.
Het kabinet ziet belasting vooral als middel om overheidsuitgaven te financieren, maar ook om inkomens te herverdelen en gedrag te sturen. Bij toeslagen is juist het huishoudinkomen leidend, omdat die regelingen vooral bedoeld zijn als inkomenssteun. Onbetaalde zorgtaken worden in het stelsel niet apart gewaardeerd; volgens het kabinet past dat ook niet goed bij de nadruk op werk en participatie.
In het kader van de geplande hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel wil het kabinet wel oog houden voor de positie van eenverdieners en tweeverdieners. Een nieuw onderzoek naar een splitsingsstelsel, waarbij partners fiscaal samen worden behandeld, ziet het kabinet echter niet zitten. Zo’n systeem zou volgens de staatssecretaris de prikkel om meer te gaan werken kunnen verzwakken en vooral de economische zelfstandigheid van vrouwen kunnen schaden.
Vandaag Inside Oranje: Theo Janssen legt uit waarom hij niet per se trainer op het hoogste niveau hoeft te worden