Geen arbeidsovereenkomst tussen ex-partners - geen arbeid, geen loon, geen gezag

donderdag, 5 maart 2026 (08:05) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Een kantonrechter heeft het loonvorderingsverzoek van een man tegen de bv van zijn ex-partner afgewezen omdat er geen arbeidsovereenkomst tussen hen is komen vast te staan. De man en de vrouw trouwden in 2008; in 2024 werd een echtscheidingsverzoek ingediend. Op 1 maart 2019 tekenden de man en de bv formeel een arbeidscontract met een bruto maandsalaris van €6.541. Toen de bv in november 2025 stopte met uitbetalen eiste de man achterstallig loon; de rechter wees die vordering af.

De rechtbank baseerde zich op artikel 7:610 BW, dat een arbeidsovereenkomst onderscheidt naar vier elementen: verplichting tot persoonlijke arbeid, loonbetaling, arbeid gedurende zekere tijd en een gezagsverhouding. Vaststaat dat de man werkzaamheden verrichtte — klusjes, vergaderingen en sporttrainingen — maar niet dat daar een afdwingbare verplichting uit een overeenkomst tegenover stond. Uit de feiten bleek veel vrijheid: in het begin hoefde hij niet in- of uit te klokken, er waren geen afspraken over vakanties of ziekteverzuim, en hij vulde zijn functie naar eigen inzicht in. Een schriftelijk contract bleek te zijn opgesteld in het kader van het verkrijgen van een hypotheek, zo bleek uit stellingen van de bv en uit een mail van de controller (29 november 2022) waarin werd aangegeven dat de man zijn functie zelfstandig kon invullen zonder toezicht van de dga.

De rechtbank oordeelde bovendien dat de maandelijkse uitkeringen, hoewel aangeduid als ‘salaris’ en begeleid door loonstroken, niet automatisch loon in de zin van de wet zijn; daarvoor moet betaling een tegenprestatie voor bedongen arbeid zijn. De bv verklaarde dat de betalingen vooral dienden om het gezinsinkomen fiscaal gunstig te verdelen. Verder werden geen werknemerspremies afgedragen en werden zowel man als vrouw fiscaal en administratief als bestuurder/samenwerkende partners behandeld, wat wijst op een fiscale constructie in plaats van een werkgever-werknemerrelatie. Ook de omvang van de beloning stond niet in verhouding tot de verrichte werkzaamheden.

Ten slotte weegt mee dat binnen een huwelijk of partnerschap een gezagsverhouding minder snel wordt aangenomen; wie daar een beroep op doet moet dat overtuigend onderbouwen. De man slaagde daar niet in. Instructies van de bv kwamen pas toen de relatie tussen partijen verslechterde en leken bedoeld om onrust op de werkvloer te voorkomen, niet uit een echte werkgeversautoriteit.

Gevolg: de rechten en verplichtingen tussen partijen kwalificeren niet als een arbeidsovereenkomst en de vordering voor het salaris van €6.541 bruto over november 2025 en verder verschuldigd loon is afgewezen. Deze zaak benadrukt dat een schriftelijke arbeidsovereenkomst, loonstroken en betalingsrubrieken niet zonder meer een echte werkgever-werknemerrelatie creëren, zeker niet in familiaire situaties waar fiscale en hypotheekmotieven meespelen.