Geen arbeidsovereenkomst voor dirigent koor

maandag, 23 februari 2026 (07:05) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Een kantonrechter oordeelt dat de relatie tussen een professioneel dirigent en een katholiek hobbykoor geen arbeidsovereenkomst was maar een overeenkomst van opdracht. De dirigent was vanaf oktober 2024 voor het koor werkzaam; het koor zei de opdracht op op 12 juni 2025 met ingang van 12 september 2025. De dirigent stelde vervolgens dat het in werkelijkheid op werknemerschap neerkwam en vorderde loon over de opzegtermijn en een billijke vergoeding, maar de rechter wees die eisen af.

Het koor is een 56 jaar oud amateurkoor van circa 50 zangers dat maandelijks kerkelijke vieringen begeleidt en af en toe optreedt of concerten geeft. De dirigent is een ervaren beroepsbeoefenaar die, inmiddels AOW‑gerechtigd, vrijwillig de leiding op zich nam. De schriftelijke overeenkomst, gebaseerd op een Belastingdienst‑model, liep aanvankelijk voor zeven maanden met de intentie om later te verlengen; een concept voor onbepaalde tijd werd per 1 juni 2025 overhandigd maar nooit ondertekend.

Vergoeding gebeurde via de eenmanszaak van de dirigent: hij factureerde maandelijks per repetitie (€175), viering (€175) en concert (€350); per 1 juni 2025 waren verhogingen naar €180,25 en €360,50 afgesproken. Repetities waren wekelijks, vieringen maandelijks; bij kortetermijnannulering golden betalingsafspraken. In de praktijk factureerde en droeg de dirigent btw af zoals overeengekomen.

De dirigent betoogde dat het bestuur hem dwingende inhoudelijke instructies gaf, waardoor zijn artistieke vrijheid zou zijn weggenomen en er dus sprake was van een arbeidsovereenkomst. De rechter stelde dat opdrachtgevers wel kaders mogen stellen — zeker bij een amateurensemble met beperkte mogelijkheden — maar dat die aanwijzingen de kern van zijn artistieke autonomie niet zodanig hebben beperkt dat het werknemerschap aannemelijk wordt. De rechter nam daarbij ook de overwegingen uit de Hoge Raad‑praktijk (onder meer de Deliveroo‑uitspraak) mee in de weging van factoren.

Uiteindelijk vond de rechter doorslaggevende elementen zoals de aard van de werkzaamheden (leiding en repertoirekeuze), het enkelvoudige deskundigheidskarakter van de dirigent, de totstandkoming van de overeenkomst en de wijze van beloning die wijzen op een overeenkomst van opdracht. De vorderingen van de dirigent werden daarom afgewezen.

Kort gezegd: door de combinatie van vrijwillige opdracht, facturering via een eenmanszaak, de contractuele afspraken en het karakter van de instructies kwalificeerde de verhouding als opdrachtovereenkomst, niet als dienstbetrekking.