Geen min-maxcontract maar arbeidscontract voor 40 uur
In dit artikel:
De kantonrechter heeft grotendeels in het voordeel van een werknemer beslist die sinds augustus 2025 in dienst was getreden en betaling van achterstallig loon vorderde. Geschilpunt was de inhoud van de arbeidsovereenkomst: de werknemer sprak van een vast 40-urencontract, de werkgever van een min-maxcontract. Ook werd betwist of de door de werknemer opgegeven overuren daadwerkelijk waren gewerkte uren.
De rechter oordeelde eerst dat de werknemer een spoedeisend belang had: hij was voor zijn levensonderhoud afhankelijk van het loon en liep bij niet-betaling het risico op financiële problemen. Vast stond dat er een arbeidsovereenkomst bestond; alleen de aard daarvan was onduidelijk.
Bewijsmateriaal en timeline speelden een rol. De werknemer verklaarde dat na gesprekken kort na 17 juli 2025 expliciet een 40-urencontract was besproken en dat hij begin september 2025 een papieren contract voor 40 uur per week op papier had ontvangen, dat hij ondertekend en als pdf naar twee bestuurders had gestuurd. In WhatsApp-berichten ontkende bestuurder 1 niet het gegeven bruto-maandloon van €2.975 (het cao-maandloon voor een 21-jarige bij een volledige werkweek). De kantonrechter vond dit en het feit dat de werknemer een ingescande versie van een 40-urige arbeidsovereenkomst had teruggestuurd voldoende aanleiding om te concluderen dat partijen op een 40-urencontract waren uitgekomen. Bij een min-maxcontract zou eerder een uurloon zijn genoemd.
Ook de urenregistratie van de werknemer kreeg gewicht: hij overlegdde overzichten en WhatsApp-berichten waaruit bleek dat hij zijn uren via berichten of een app aan de werkgever doorzond. De werkgever betwistte dat de overuren waren gemaakt en verwees naar loonstroken en een Excel-administratie, maar leverde dat Excel-bestand niet aan. De rechter vond loonstroken zonder ondersteunende urenadministratie onvoldoende als bewijs van tegengesteldheid en concludeerde dat de werknemer aannemelijk had gemaakt dat de opgegeven overuren daadwerkelijk zijn gewerkt.
Op grond van cao-bepalingen werden de verschuldigde toeslagen toegepast: overuren met 30% en zaterdagen met 50%, en vanaf de 21e verjaardag van de werknemer is een hoger cao-loon van toepassing. De werknemer had al €5.892,73 bruto ontvangen over augustus en september 2025; resteerde een bruto bedrag van €1.920,41. De kantonrechter kende die vordering toe en verplichtte de werkgever tot betaling van het achterstallige loon.