Geen opbouw vakantiedagen in derde ziektejaar, dus geen uitbetaling dagen

dinsdag, 24 februari 2026 (08:22) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Een zieke werknemer met een slapend dienstverband bouwt geen vakantiedagen op in het derde ziektejaar; daarom komt er bij ontslag geen uitbetaling van vermeende na‑die datum opgebouwde vakanturen.

Feiten en procedure
De werknemer trad op 1 april 2017 in dienst als algemeen medewerker (bruto €2.504,09 p/m). Sinds 12 oktober 2022 is hij arbeidsongeschikt en werkte niet meer. Na 104 weken (eind wachttijd) ontvangt hij vanaf 9 oktober 2024 een WIA‑IVA‑uitkering. Omdat de werkgever niet wilde meewerken aan beëindiging van het slapende dienstverband vroeg de werknemer ontslagvergunning, de transitievergoeding en een eindafrekening. De kantonrechter ging in zijn verzoek mee en ontbond de arbeidsovereenkomst met ingang van de datum van de uitspraak.

Transitievergoeding en berekening
De rechter kwalificeerde de toegewezen vergoeding als schadevergoeding: de werkgever heeft zich niet als goed werkgever gedragen door de beëindiging te blokkeren. Voor de berekening is het dienstverband fictief bekort tot 9 oktober 2024 (einde wachttijd). Op basis van indiensttreding en het bruto‑loon plus 8% vakantiebijslag bedraagt de transitievergoeding € 6.783,25 bruto; daarover is wettelijke rente verschuldigd vanaf 9 oktober 2024.

Vakantiebijslag en achterstallig loon
Volgens de arbeidsovereenkomst heeft de werknemer recht op 8% vakantiebijslag, jaarlijks uitbetaald in mei. Na mei 2024 is die niet meer betaald (door de werkgever niet bestreden). De werknemer had recht op loon tot en met 8 oktober 2024 en dus ook recht op vakantiebijslag over juni t/m 8 oktober 2024. Omdat hij in die periode 70% salaris kreeg, wees de rechter een vakantiebijslag toe van € 597,10 bruto; hierover rente vanaf 30 mei 2025 en een gematigde wettelijke verhoging tot maximaal 10%.

Vakantiedagen (niet opgenomen uren)
De werknemer vorderde uitbetaling van in totaal 312 niet opgenomen uren, verdeeld in 152 uren per einde wachttijd (niet betwist) en 160 uren waarvan hij stelde dat die ná 9 oktober 2024 waren opgebouwd. De rechter kende de 152 uren toe (bedrag € 2.371,11 bruto), maar wees de 160 uren af. Artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt dat vakantiedagen alleen worden opgebouwd gedurende de periode waarop loon recht bestaat; dat geldt hier tot 9 oktober 2024. De werknemer stelde dat dit nationale recht in strijd is met EU‑rechten op betaalde vakantie, maar de rechter volgde dat betoog niet: bij een slapend dienstverband zijn de kernverplichtingen (arbeid en loon) niet meer aanwezig en vervalt de revalidatiefunctie van vakantie. Bovendien ontvangt de werknemer een IVA‑uitkering, zodat het doel van betaald verlof (herstel en inkomensvergelijkbaarheid tijdens vakantie) hier niet dezelfde betekenis heeft. Daarom leidt EU‑recht niet automatisch tot extra opbouw na 9 oktober 2024.

Overige verplichtingen
De werkgever is veroordeeld tot verstrekking van salarisspecificaties (artikel 7:626 BW); een dwangsom is niet opgelegd.

Relevante context
De uitspraak illustreert dat bij langdurige arbeidsongeschiktheid en een slapend dienstverband de vraag welke vakantarechten blijven bestaan juridisch verdeeld is: er zijn rechterlijke uitspraken met tegengestelde conclusies. Deze uitspraak volgt de lijn dat na afloop van de 104‑weekstermijn geen verdere opbouw van vakantiedagen plaatsvindt.