Grote verschillen in sectoren bij nettoloon en loonkosten laat eerste loonstrook zien

maandag, 2 februari 2026 (09:22) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

De eerste loonstroken van 2026 laten duidelijke sectorale verschillen zien in zowel nettolonen als werkgeverskosten. Voor een modaal inkomen (€3.704 per maand) varieert de netto‑toename per sector: kleinste stijging bij zorg & welzijn (ongeveer €17 netto per maand) en grootste in de bouw (circa €31 per vier weken).

Werknemers op het wettelijke minimumuurloon profiteren het meest, mede door belastingmaatregelen en door de indexatie van het minimumloon per 1 januari 2026 van €14,40 naar €14,71 per uur. Bij een 36‑urige werkweek leidt dat tot een nettoplus tussen ongeveer €46 en €65 per maand, afhankelijk van de sector; in de bouw is dat ongeveer €39 netto per vier weken.

Bij een inkomen van twee keer modaal (€7.407) zit de meeste netto‑groei tussen €32 en €37 per maand. Uitzonderingen zijn transport (ongeveer €22 per maand) en bouw (ongeveer €11 per vier weken). Die lagere opbrengst hangt samen met een hogere grens voor het maximale pensioengevend loon: over een groter deel van het salaris worden voortaan pensioenpremies ingehouden, wat het nettoresultaat drukt.

Ook voor werkgevers zijn de effecten sectorafhankelijk. Loonkosten voor minimumloonwerknemers stijgen door de indexatie, maar de grootte verschilt: in de elektrotechnische industrie gaat het om ongeveer €1 per maand extra, in zorg & welzijn tot zo’n €8 per maand. Voor modale inkomens dalen de werkgeverskosten juist door de verlaging van de inkomensafhankelijke Zvw‑bijdrage; dit scheelt bijvoorbeeld €11 per maand in het algemeen, €15 in zorg & welzijn en €20 in de elektrotechnische branche. In sommige sectoren werkt ook een hogere pensioenfranchise gunstig, omdat dan minder pensioenpremie verschuldigd is.

Bij twee keer modaal lopen de loonkosten voor werkgevers in alle sectoren op — van ongeveer €35 per maand in het algemeen tot rond €97 in transport en €102 per vier weken in de bouw — door hogere maxima voor premieloon en grotere pensioengrondslagen.

De uiteenlopende effecten zijn vooral het gevolg van sectorale afspraken over pensioen en sociale zekerheidsfondsen en van cao‑afspraken. De Wet toekomst pensioenen (Wtp), sinds 1 juli 2023 van kracht, versterkt deze verschillen; pensioenen kunnen stapsgewijs worden aangepast tot uiterlijk 1 januari 2028. Enkele pensioenfondsen, zoals PfZW en BpfBOUW, zijn per 2026 al overgestapt, wat de variatie tussen sectoren vergroot.