Hoge Raad: verkorting looptijd 30%-regeling met beperkt overgangsrecht rechtmatig

maandag, 23 februari 2026 (13:22) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Een in Nederland werkzame vrouw die in januari 2012 een beschikking kreeg waarin haar toepassing van de 30%-regeling werd toegekend voor de periode 1 december 2011 tot en met 30 november 2021, verloor voortijdig dit fiscale voordeel door een wetswijziging. Het kabinet had in 2018 aangekondigd de maximale looptijd van de 30%-regeling te verkorten (in het Belastingplan 2019 werd de termijn ingekort en een beperkt overgangsrecht geregeld). Voor personen die uiterlijk 31 december 2018 al van de regeling profiteerden, bleef de oude regeling gelden tot uiterlijk 31 december 2020. Omdat de beschikking van de vrouw een einddatum in 2021 vermeldde, maakte de Belastingdienst haar einddatum in de praktijk 31 december 2020, zonder een nieuwe beschikking af te geven. Vanaf 1 januari 2021 paste haar werkgever de 30%-regeling niet meer toe, waarna zij bezwaar maakte tegen de inhouding van loonheffing over februari 2021.

De inspecteur en de rechtbank Noord-Holland wezen dat bezwaar af; in hoger beroep bevestigde hof Amsterdam dat de verkorting van de looptijd, inclusief het beperkte overgangsrecht, binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt. Het hof overwoog dat een wet in formele zin door de rechter niet aan algemene rechtsbeginselen kan worden getoetst (artikel 120 Grondwet), behalve bij zodanig bijzondere omstandigheden dat toepassing van de wet onverenigbaar zou zijn met die ongeschreven normen — omstandigheden die hier niet aanwezig zijn. Parlementaire stukken tonen volgens het hof dat rekening is gehouden met bestaande gevallen en dat juist om die reden een (zij het beperkt) overgangsrecht is opgenomen.

Ook de klachten dat door de wijziging artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM (bescherming van bezit) of het discriminatieverbod uit artikel 14 EVRM zou zijn geschonden werden verworpen. De beschikking gaf geen reeds bestaand eigendom; hooguit een verwachting ten aanzien van toekomstig inkomen, die onder voorbehoud van wetswijziging werd gegeven. Hoewel de btw-ingehouden een inmenging in bezit betekent, biedt het EVRM de wetgever op fiscaal terrein een ruime marge, aldus het hof.

De Hoge Raad heeft op 13 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:123) het oordeel van het hof bekrachtigd: de wijziging viel binnen de beleidsvrijheid van de wetgever en er zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond die toepassing van de wet zouden moeten blokkeren. Het feit dat de wetgever gevolgen voor bepaalde groepen mogelijk niet uitgebreid heeft onderzocht of gemotiveerd, kan niet leiden tot vernietiging van de wet.