Hoge Raad: WW-uitkering in aftrek op billijke vergoeding mag
In dit artikel:
Een werknemer die in 2018 in dienst trad kreeg door de kantonrechter ontbinding van haar arbeidsovereenkomst toegekend op de g-grond; de werkgever werd ernstig verwijtbaar gehouden en de kantonrechter kende haar aanvankelijk een billijke vergoeding toe van drie jaarsalarissen (in totaal circa €443.916 bruto). Het hof herrekende die vergoeding echter op basis van het inkomensverlies dat verwacht werd na 1 augustus 2024: bij een bruto maandloon van €11.367,35 zou dat over twee jaar bijna €273.000 bedragen. Het hof trok daarop af wat de werkneemster naar verwachting via een WW‑uitkering of ander inkomen kon verdienen (uitgaande van het maximale dagloon, circa €4.305 bruto per maand), en kwam na deze aftrek uit op een geschat gemist inkomen van ongeveer €170.000 bruto voor die twee jaar.
De werkneemster stapte in cassatie omdat zij vond dat een WW‑uitkering slechts uitzonderlijk in mindering mocht komen op de billijke vergoeding. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht bij de schadetoerekening zowel nadelen (verlies van loon) als samenhangende voordelen (zoals recht op een uitkering of andere inkomsten) mag meewegen. Hoe zwaar zulke voordelen wegen hangt af van overige omstandigheden, waaronder of de werknemer daardoor rechten op een toekomstige WW‑uitkering verliest. Verder zag het hof volgens de Hoge Raad geen reden om de vergoeding te verhogen: er was geen bewijs van kwade opzet of opzetmatige belemmering van re-integratie, slechts gebrekkige professionele regie. Het beroep van de werkneemster wordt verworpen.