Hoogte gebruikelijk loon klopt niet: werknemer verdient meer dan dga
In dit artikel:
Een bv waarvan de directeur-grootaandeelhouder (dga) 55% van de aandelen houdt, kreeg naheffingsaanslagen loonheffingen voor 2021–2023 opgelegd omdat de Belastingdienst het gebruikelijk loon van de dga hoger stelde dan door de bv was opgegeven. De overige aandelen van het administratiekantoor werden (indirect) gehouden door drie werknemers; werknemer 4 had 25% en bleek de hoogstbetaalde werknemer te zijn.
In de loonaangiften had de bv voor de dga aangegeven: €80.500 (2021) en €81.000 (2022 en 2023). Na boekenonderzoeken, aangekondigd op 6 februari 2023, stelde de inspecteur het gebruikelijk loon vast op €93.838 (2021), €96.425 (2022) en €96.246 (2023) — bedragen overeenkomend met het salaris van werknemer 4. Naar aanleiding daarvan zijn naheffingsaanslagen, verzuimboetes en rente opgelegd; bezwaren van de bv werden afgewezen en de bv ging in beroep.
De Inspecteur baseerde zich op artikel 12a Wet LB 1964, waarbij bij verbonden lichamen het hoogste loon van een werknemer als uitgangspunt kan dienen. De wet legt vervolgens de bewijslast bij de bv om aannemelijk te maken dat het loon van een meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is (en voor 2021/2022 zelfs tot 75% daarvan mag worden aangehouden). De bv voerde een salarisonderzoek aan en stelde dat een algemeen directeur van een administratiekantoor een salaris heeft van €5.500–€7.000 per maand, en dat het door haar uitbetaalde jaarloon van de dga binnen die bandbreedte valt — mede vanwege beperkte commerciële taken — zodat het opgegeven loon volgens haar toereikend was (met inachtneming van de doelmatigheidsmarge voor 2021–2022).
De rechtbank oordeelde dat de bv niet genoeg bewijs had geleverd. De onderbouwing ontbrak aan concrete vergelijking van jaarlonen en relevante looncomponenten (bijv. vakantiegeld, bijtelling auto), terwijl de bv zich vooral op bruto maandlonen had beperkt. Bovendien kan het loon van werknemer 4 niet als “meest vergelijkbare dienstbetrekking” worden gebruikt omdat die werknemer een aanmerkelijk belang heeft in het administratiekantoor, wat de wet uitsluit. De stelling dat de doelmatigheidsmarge de hogere vastgestelde lonen zou rechtvaardigen faalde daarom ook. De beroepen werden ongegrond verklaard.
Kortom: de inspecteur mocht het loon van de hoogstbetaalde werknemer bij het verbonden administratiekantoor als uitgangspunt nemen; de bv heeft niet aannemelijk gemaakt dat een lagere, vergelijkbare jaarvergoeding van toepassing is, waarna de naheffingen, boetes en rente terecht zijn opgelegd. Contekst: de regeling voorkomt dat dga’s zichzelf structureel een te laag salaris toekennen en vereist bij afwijking voldoende bewijs van een lager vergelijkbaar jaarloon.