Ketenregeling van toepassing: vast contract ontstaan en recht op billijke vergoeding
In dit artikel:
Een docent werkte negen jaar op jaarcontracten bij een school en stelt dat op grond van de ketenregeling daarmee een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De school erkende dat formeel ook, maar verwees naar de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de cao Voortgezet Onderwijs 2024-2025: volgens die regelingen mogen onbevoegde docenten niet in vaste dienst komen, zodat zij meende dat die branchespecifieke beperking voorrang had.
De kantonrechter wees dat standpunt van tafel. De ketenregeling — ook letterlijk opgenomen in de cao — maakt deel uit van het arbeidsrecht en beschermt de werknemer; een branchebepaling die gericht is op kwaliteitszorg in het onderwijs kan die bescherming niet uithollen. Het opvolgend aflopen en niet verlengen van de jaarcontracten door de school werd juridisch aangemerkt als een opzegging van een bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Omdat de docent zich bij die opzegging neerlegde, had hij recht op een billijke vergoeding. De rechter schatte in dat het dienstverband zonder de onrechtmatige opzegging slechts enkele maanden langer had geduurd (waarschijnlijk tot 1 januari 2026) en stelde het inkomensverlies vast op circa €13.500, dat werd verhoogd tot €15.000 bruto. De verhoging werd gemotiveerd door het feit dat de docent gewaardeerd werd en juist door zijn leeftijd en ervaring goed functioneerde, terwijl de school hem desondanks langdurig in onzekerheid hield door steeds jaarcontracten te geven.
Kortgezegd: de ketenregeling levert hier bescherming op tegen structureren van achtereenvolgende tijdelijke contracten; de school kon een vaste aanstelling van een onbevoegde docent daarmee niet omzeilen en moet vergoeding betalen voor de onregelmatige beëindiging.