Loonvordering onterecht, variabel loon afgesproken en arbeidsduur gewijzigd
In dit artikel:
Een fysiotherapeut die sinds 1 mei 2025 op tijdelijke basis in dienst was (tot 30 april 2026) klaagde bij de kantonrechter dat hij in november 2025 te weinig loon had ontvangen. Hij kreeg van mei tot en met september 2025 telkens een brutomaandsalaris van €3.750 uitbetaald. Op 6 oktober 2025 verzocht hij één dag per week minder te werken; werkgever ging akkoord en bevestigde op 22 oktober dat de arbeidsduur van 40 naar 32 uur per week werd aangepast en dat het basissalaris pro rata zou worden verlaagd. De werknemer meldde zich op 22 oktober ziek.
In november 2025 viel zijn nettobetaling uit op €1.269,41, terwijl uit een loonspecificatie bleek dat hij meende recht te hebben op €2.300,19 netto. De werknemer vroeg daarop een nabetaling van €1.030,78. De werkgever legde uit dat de originele loonspecificatie onjuist was omdat hij ziek was; omdat op basis van zijn verrichtingen vóór de ziekmelding het salaris onder het minimum zou uitkomen, betaalde de werkgever over november het wettelijk minimumloon voor een 32-urige werkweek (€1.996,80 bruto) en rekende dit vervolgens met eerdere voorschotten/verrekeningen door, wat leidde tot het ontvangen nettobedrag van €1.269,41.
De werknemer stelde primair dat er een vast minimumloon van €3.750 was overeengekomen en dat hij tijdens ziekte ten minste 70% daarvan zou moeten krijgen. De werkgever stelde juist dat het overeengekomen bedrag een voorschot op een variabel loon betrof, met kwartaalafrekeningen op basis van verrichtingen; onvoldoende verrichtingen leidden dus tot verrekeningen. De werkgever toonde aan dat hij de werknemer meerdere keren had gewaarschuwd en dat de werknemer bewust had gekozen voor de variabele constructie vanwege onmiddellijke uitbetaling van vakantiebijslag en -dagen.
De kantonrechter bekeek de arbeidsovereenkomst en e-mailcorrespondentie en oordeelde dat de contractteksten noch de feitelijke communicatie onomstotelijk een vast maandloon van €3.750 aantonen. Belangrijke bepalingen wijzen op een garantiesalaris en op een variabele beloning met kwartaalafrekening; de werknemer kon niet uitleggen hoe die teksten verenigbaar zijn met zijn stelling. Daarnaast weegt de e-mailwissel mee: de werkgever kondigde een forse verrekening aan en de werknemer reageerde instemmend, wat niet past bij iemand die meent recht te hebben op een vast salaris. Ook stond vast dat de arbeidsduur op zijn eigen verzoek vanaf 1 november was verminderd naar 32 uur, zodat geen recht bestond op loon op basis van 40 uur.
Geconcludeerd werd dat er te veel onzekerheid bestaat om vast te stellen dat de werkgever te weinig heeft betaald. De werkgever had het minimumloon voor een 32-urige werkweek plus vakantiedagen en -bijslag uitbetaald en daarmee meer betaald dan 70% van het gemiddelde loon over mei–oktober 2025. De vorderingen van de werknemer werden daarom afgewezen.
Kort: de rechter vond dat er feitelijk en contractueel sprake was van een variabel loon met voorschot en verrekening; de werkgever handelde binnen die kaders en betaalde niet te weinig.