Loonvordering toewijsbaar - zieke werknemer heeft recht op minimumloon
In dit artikel:
Een zieke werknemer vordert doorbetaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente. De kantonrechter oordeelt dat de werkneemster recht heeft op het wettelijk minimumloon omdat 70% van het overeengekomen loon lager is dan het minimumloon (art. 7:629 lid 1 BW). Omdat de werkgever het loon zonder deugdelijke reden te laat betaalde, is hij daarnaast gehouden tot betaling van de wettelijke verhoging (gematigd tot 30%) en wettelijke rente.
Feiten: de werkgever betaalde uiteindelijk voor september, oktober en november 2025 bruto bedragen die netto samen €4.952,45 opleverden; volgens loonstroken is het gehanteerde basisuurloon €14,40 bruto. De werkgever legde uit dat aanvankelijke uitstel van betaling voortkwam uit het gevoel dat de ziekmelding kort na contractverlenging en vlak vóór ingaan van een nieuw contract oneerlijk was; inmiddels erkent hij het recht op loondoorbetaling en heeft hij nabetaling gedaan (op 4 december 2025).
Juridische punten: in de arbeidsovereenkomst stond een vast (bruto)maandloon, maar omdat 70% daarvan minder is dan het wettelijke minimum, geldt tijdens (de eerste 52 weken van) ziekte het minimumloon in plaats van 70% van het overeengekomen loon. Sinds 1 juli 2025 is het wettelijk minimumuurloon €14,40 bruto (excl. vakantietoeslag). Sinds 2024 bestaan er geen vaste minimum maand-, week- en daglonen meer; het minimum per maand hangt af van de contractuele arbeidsduur in die maand, die kan variëren door het rooster en kalender. De boekhouder berekende de maandelijkse bedragen op basis van dat principe, wat de verschillen verklaart.
Uitspraak: de kantonrechter vindt dat met de nabetaling van 4 december 2025 de betalingsverplichting voor september–november 2025 is voldaan, zodat werknemer daarvoor niets meer kan vorderen. Wel wordt de werkgever veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging (gemaximeerd op 30%) en wettelijke rente over het bruto-equivalent van de netto nabetaling van €4.952,45. Voor toekomstige loontermijnen zijn de gevorderde bedragen toewijsbaar vanaf het moment dat zij opeisbaar worden, voor zover wettelijk verschuldigd; de werkgever is voor die toekomstige betalingen nog niet in verzuim en heeft ter zitting toegezegd voortaan vrijwillig te betalen.
Kortom: werknemer heeft, omdat 70% van het overeengekomen loon onder het minimum valt, recht op het wettelijke minimumloon tijdens ziekte; de werkgever betaalde te laat maar navergoedde de achterstanden, en moet wegens laattijdige betaling nog een wettelijke verhoging en rente voldoen.