Ondernemers kennen de theorie van loontransparantie, maar worstelen met praktijk
In dit artikel:
Ondernemers en HR-professionals kennen de belangrijkste uitgangspunten van de voorgestelde wet loontransparantie, maar zijn nog onvoldoende voorbereid op de praktische gevolgen. Dat blijkt uit een proefexamen van Van Spaendonck, waaraan op 29 oktober 2026 bijna 120 deelnemers meededen. Gemiddeld beantwoordden zij 72 procent van twaalf vragen goed.
De deelnemers wisten doorgaans dat werknemers hun salaris met collega’s mogen bespreken (98 procent), dat functies objectief moeten worden gewaardeerd op onder meer vaardigheden, inspanningen en verantwoordelijkheden (94 procent) en dat de regels voor werving voor alle werkgevers gelden (87 procent). Ook wist 86 procent dat de Arbeidsinspectie kan optreden met een waarschuwing, dwangsom of boete.
Zodra het om concrete verplichtingen gaat, neemt de kennis af. Slechts 22 procent wist binnen welke termijn een werkgever een informatieverzoek van een werknemer moet beantwoorden. Ook bestaat onduidelijkheid over de gefaseerde rapportageplicht, de informatie die in vacatures moet staan en de vraag welke werknemers meetellen. Zo denkt 43 procent dat het salaris al in de vacature moet worden vermeld, terwijl bekendmaking vóór de salarisonderhandeling volstaat. Een derde denkt bovendien ten onrechte dat uitzendkrachten buiten de regels vallen.
Volgens Marc van Gaal van Loket tellen uitzendkrachten bij de inlener mee als werknemers; zzp’ers zonder arbeidsovereenkomst vallen buiten de wet. Ondernemers hebben daarnaast vragen over privacy, functievergelijking, loonbegrip en de grens van honderd werknemers binnen concerns of bij buitenlandse en flexibele arbeidskrachten.
Het wetsvoorstel, gebaseerd op een Europese richtlijn, moet nog door de Tweede Kamer worden behandeld. De beoogde ingangsdatum van 1 januari 2027 staat daarom nog niet vast.
Vandaag Inside: Rob Jetten over belastingplan: 'Kiezen echt voor vooruitgang voor mensen en bedrijven'