Ontslag vanwege godsdienst - wanneer verboden onderscheid?
In dit artikel:
Minister Paul van SZW heeft schriftelijk gereageerd op Kamervragen naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 19 september 2025 in de zaak die bekend werd als “Drie dagen in dienst, 19.000 euro na ontslag wegens geloof”. De zaak belicht het spanningsveld tussen grondrechten — gelijke behandeling en vrijheid van godsdienst — en de noodzaak voor werkgevers hun bedrijfsvoering effectief te organiseren.
De minister wijst erop dat conflicten tussen wensen van werkgever en werknemer doorgaans met wederzijds goed werkgeverschap en goed werknemerschap kunnen worden opgelost. Werkgevers moeten verzoeken om aanpassingen vanwege geloofsovertuiging zorgvuldig beoordelen en binnen de wettelijke kaders afwegen welke faciliteiten redelijk en uitvoerbaar zijn. Volledige tegemoetkoming is niet verplicht; beperkingen op uitingen van geloof zijn toegestaan mits ze objectief gerechtvaardigd zijn: het doel moet legitiem zijn en de gekozen maatregel geschikt en noodzakelijk.
De uitspraak onderstreept ook dat de proeftijd geen vrijbrief is voor discriminatoir handelen. Tijdens de proeftijd kunnen arbeidsovereenkomsten weliswaar per direct worden beëindigd zonder opzegtermijn en zonder verplicht schriftelijk motiveren (tenzij de werknemer daarom vraagt), maar algemene beginselen zoals non-discriminatie en zorgvuldig handelen blijven gelden. Werknemers kunnen een ontslag tijdens de proeftijd juridisch aanvechten wanneer zij vermoeden dat er sprake is van ongelijke behandeling.
Praktisch betekent dit volgens de minister dat wanneer een werknemer structureel weigert wezenlijke taken uit te voeren en er geen passende alternatieven zijn, een werkgever onder strikte waarborgen kan concluderen dat de functie niet langer vervulbaar is. Zo’n besluit moet zorgvuldig genomen worden en mag geen verboden onderscheid op grond van godsdienst bevatten; ook van de werknemer wordt redelijkheid en flexibiliteit verwacht.
De rechtbank Noord-Holland concludeerde in de besproken casus dat er sprake was van direct verboden onderscheid wegens godsdienst. Het College voor de Rechten van de Mens meldt dat het sinds 2020 veertien keer uitspraak deed over religieuze onderscheidsvragen bij werving, selectie of beëindiging van dienstverbanden; in zes zaken werd verboden onderscheid vastgesteld. De cijfers tonen volgens het College geen duidelijke trend.