Ontslag voor 'bankzitter', al maanden inactief, alleen nog 'papieren dienstverband'
In dit artikel:
Een kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen een IT‑dienstverlener en een van zijn consultants ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW (andere omstandigheden). De werkgever levert IT‑personeel aan opdrachtgevers; werknemers worden bij klanten geplaatst en blijven, zolang er geen nieuwe opdracht is, als zogeheten “bankzitter” in dienst en krijgen doorbetaald loon en emolumenten.
De werknemer trad in dienst op 1 september 2022 en was direct geplaatst bij een belangrijke opdrachtgever. Tot maart 2025 werkte hij daar; sindsdien is hij zonder opdracht en meer dan negen maanden inactief. In zijn laatst beklede functie verdiende hij €10.585,57 bruto per maand exclusief emolumenten. De werkgever vroeg ontbinding omdat van hem in redelijkheid niet langer kon worden verlangd het papieren dienstverband voort te zetten nu commerciële inzetbaarheid onvoldoende bleek.
De rechter oordeelde dat die ondermaatse inzetbaarheid — na ruim negen maanden zonder plaatsing — voldoende was om het dienstverband te beëindigen. Partijen discussieerden of het uitblijven van een nieuwe opdracht te wijten was aan tekorten in de inspanningen van de werkgever of aan de werknemer zelf. De rechtbank vond dat de werkgever redelijkerwijs genoeg had gedaan binnen de beperkte mogelijkheden (afhankelijk van het opdracht‑aanbod en klantkeuzes) en dat hij niet ernstig verwijtbaar had gehandeld.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 februari 2026. De werknemer ontvangt een transitievergoeding van €13.625,51; een aanvullende billijke vergoeding is niet toegewezen omdat geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever is vastgesteld.