Opdrachtgever moet loon doorbetalen - niet voldaan aan verplichtingen met payrollbedrijf
In dit artikel:
De rechtbank heeft geoordeeld dat het horecabedrijf (de opdrachtgever) tekortgeschoten is in zijn contractuele verplichtingen tegenover het payrollbedrijf en daarom loon en schadevergoeding moet betalen. Een transitievergoeding hoeft het horecabedrijf niet te voldoen.
Achtergrond: sinds 2017 plaatste het horecabedrijf werknemers via een payrollbedrijf; dat laatste fungeerde formeel als werkgever en factureerde de uitbetaalde lonen aan het horecabedrijf tegen een overeengekomen tarieffactor (1,595). De raamovereenkomst bevatte bepalingen die het horecabedrijf verplichtten om bij beëindiging van de samenwerking aangeboden personeel een arbeidsovereenkomst aan te bieden tegen gelijke arbeidsvoorwaarden (artikel 9) en om bij bedrijfsstagnatie door te betalen (artikel 14). In de algemene voorwaarden stond dat loonkosten die het payrollbedrijf moet doorbetalen, bij weigering door de werknemer voor rekening van de opdrachtgever blijven tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
Tijdlijn en feiten: de exploitatie van het horecabedrijf moest in het najaar van 2023 stoppen nadat de gemeente het huurcontract niet wilde voortzetten; het payrollbedrijf zegde de samenwerking op 1 oktober 2023 op vanwege gebrek aan communicatie. Een medewerkster weigerde in eerste instantie beëindiging en er werd een vaststellingsovereenkomst gesloten; de arbeidsovereenkomst werd met wederzijds goedvinden per 1 februari 2024 beëindigd. Het payrollbedrijf betaalde tot die datum het loon en factureerde in totaal circa €71.798 aan het horecabedrijf; de facturen werden niet betaald ondanks aanmaningen en inschakeling van een incassobureau.
Beoordeling rechtbank: partijen hadden onomstotelijk een overeenkomst en de verplichting van het horecabedrijf om vervangende arbeidsovereenkomsten aan te bieden gold als een resultaatsverbintenis — het risico dat dat in de praktijk niet mogelijk bleek, lag bij het horecabedrijf. De stelling van overmacht slaagde niet: het wegvallen van de werkplek door het beëindigen van het huurcontract door de gemeente doet niet af aan de contractuele verplichting. Ook was nakoming van de doorbetalingsverplichting mogelijk, zodat het horecabedrijf hiervoor aansprakelijk is.
Financiële consequenties: voor de reguliere doorbetaling over augustus, september en oktober 2023 is het horecabedrijf aansprakelijk voor het loon inclusief de tarieffactor: €19.109,85. Voor november 2023 tot en met januari 2024 heeft het payrollbedrijf loon doorgeschoten zonder dat daarvoor de tarieffactor geldt; deze schadevergoeding bedraagt €11.981,10. Daarnaast moet het horecabedrijf vergoeden: uitbetaling van verlofdagen (€2.977,34) en een beëindigingsvergoeding (€4.313). De gevorderde transitievergoeding van €16.374 wordt afgewezen: in de tariefbijlage stond dat die kosten niet aan het horecabedrijf worden doorberekend en een eerdere e-mail van het payrollbedrijf maakte duidelijk dat de transitievergoeding voor rekening van het payrollbedrijf was.
Praktische uitkomst: het horecabedrijf moet de bovengenoemde loon- en schadebedragen betalen (samen circa €38.381,29), maar niet de gevorderde transitievergoeding.