Oproepcontract - geen vaste werkdagen, wel recht op loon vanwege vervallen dienst

woensdag, 4 februari 2026 (09:22) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Een jonge onderneemster die ongeveer een jaar eerder een beautysalon was gestart, had sinds 1 maart 2025 een oproepkracht in dienst (toen studente) op basis van een eenjarig oproepcontract. Na een meningsverschil — mede over het plaatsen van foto’s van de werknemer op sociale media — bood de werkgever schriftelijk aan de arbeidsovereenkomst met twee maanden opzegtermijn te beëindigen. De werknemer ging niet akkoord en spande een procedure aan om achterstallig loon te vorderen.

Juridische uitgangspunten: bij een oproepovereenkomst (artikel 628a BW) geldt dat uren pas belastingen op loon geven als de werknemer daadwerkelijk is opgeroepen; wordt een oproep binnen vier dagen voor aanvang ingetrokken, dan heeft de werknemer recht op loon. Ook geldt voor korte diensten een minimumvergoeding van drie uur. Partijen spraken af te rekenen op basis van het wettelijk minimumloon van €14,06 bruto per uur.

Feiten en beoordeling per datum:
- 8 april 2025: de werkgever heeft erkend dat de werknemer zes uur werkte; dat loon (€84,36 bruto) was nog niet betaald en moet worden vergoed.
- 11 mei 2025: de werknemer was opgeroepen, de werkgever trok de dienst binnen vier dagen in zonder aantoonbaar overleg of instemming van de werknemer; de rechter oordeelde dat de werkgever ook hiervoor €84,36 bruto verschuldigd is.
- 25 maart en 29 april 2025: uit appberichten blijkt dat de werknemer zelf afzag van de diensten (zij voelde zich onvoldoende ervaren op 25 maart; op 29 april zei zij vanwege lange reistijd de dienst af toen er maar één klant was). Omdat de werknemer deze diensten zelf annuleerde, bestaat geen recht op loon.
- 20 en 22 april en 6 mei 2025: de werknemer kon niet aantonen dat zij voor die dagen was opgeroepen; vorderingen daarvoor werden daarom afgewezen.
- Een deel van de gevorderde achterstand (€463,98 bruto) had de werkgever al erkend en betaald; de rechter kende daarnaast nog €168,72 bruto toe (de twee bedragen van €84,36). Over dit bedrag is wettelijke rente en een wettelijke verhoging verschuldigd (max. 25%).

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2026. De rechter vond niet dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld; daarom is geen billijke of transitievergoeding verschuldigd. Wel is geoordeeld dat het feit dat een klein deel van het loon onbetaald bleef verwijtbaar is, maar onvoldoende ernstig om aanvullende vergoedingen te rechtvaardigen. De uitspraak benadrukt de kern van oproepovereenkomsten: werkroosters zijn niet vast en zonder oproep bestaat geen recht op loon, behalve in de specifieke gevallen zoals ingetrokken oproepen binnen vier dagen.