Recht op achterstallig loon niet aangetoond: nader onderzoek en bewijs nodig
In dit artikel:
Een werknemer (broer van de werkgever) vordert bij de kantonrechter achterstallig loon, vakantiebijslag en reiskostenvergoeding van een eenmanszaak die actief is in de wegenbouw en bestrating. De werknemer werkte op basis van een arbeidsleerovereenkomst als leerling opperman bestratingen voor 40 uur per week tegen een bruto maandsalaris van € 2.627,73; op de overeenkomst is de cao Bouw en Infra van toepassing. De arbeidsovereenkomst vermeldt een indiensttreding per 14 februari 2025; partijen beëindigden het dienstverband met een vaststellingsovereenkomst per 30 juni 2025. De werknemer vond eind juli en augustus 2025 vrijwel geen inkomen en aanvaardde per 1 september 2025 een andere baan.
Geldvorderingen volgens de werknemer: circa € 1.922,68 bruto aan achterstallig loon (minus € 8,45), € 905,22 bruto aan achterstallig vakantiebijslag en € 3.441,60 aan reiskostenvergoeding. De werknemer stelt dat het op de loonstroken vermelde brutoloon niet overeenkomt met de werkelijk gewerkte uren en het bruto uurloon, dat vakantiebijslag en reiskosten niet zijn betaald en dat nettobetalingen afwijken van de loonstroken. Daarnaast beweert hij dat de eenmanszaak geen stortingen in het Tijdspaarfonds heeft gedaan en dat hij door de financiële afwikkeling huurachterstand heeft opgelopen.
De eenmanszaak voert verweer: loonadministratie zou via een administratiekantoor lopen en het door dat kantoor berekende salaris is overgemaakt. Bovendien zou de werkgever bedragen buiten de loonstroken om hebben betaald — via tikkies, zijn privérekening en contant — en is daarmee verrekend. Ook stelt de eenmanszaak dat reiskosten niet verschuldigd zouden zijn omdat de werknemer ervoor koos niet met een collega mee te rijden en gebruikmaakte van de bedrijfstankpas. Verder voert de werkgever aan dat hij mogelijk schoolgeld voor de werknemer heeft betaald en dat daarvoor verrekening heeft plaatsgevonden. De werknemer zegt op zijn beurt dat hij € 7.000 zou hebben geleend aan de eenmanszaak; die lening wordt door de eenmanszaak ontkend.
De kantonrechter oordeelt voorlopig dat uit de overgelegde stukken noch uit de mondelinge toelichtingen voldoende blijkt of en in welke omvang er daadwerkelijk te weinig salaris, vakantiebijslag en reiskosten zijn uitbetaald. Wel is vastgesteld dat de brutoopgave op loonstroken niet consistent is met uren x uurloon en dat er daadwerkelijk afwijkende nettobetalingen zijn ontvangen, maar partijen konden niet specificeren welke betalingen precies via tikkies/contant/privérekening zijn gedaan en waarmee die zouden zijn verrekend; daarvoor ontbreken onderliggende bewijsstukken. Ook de bewering over de lening van € 7.000 blijft onbewezen en de verklaring over een contante betaling van € 900 aan vakantiebijslag is niet consistent verantwoord in de vordering.
Ten aanzien van de reiskosten merkt de kantonrechter op dat de cao recht op woon-werkvergoeding toekent bij meer dan 15 km per dag, maar dat onvoldoende feiten zijn aangedragen om te bepalen of het gebruik van de tankpas en het wel of niet meerijden met collega’s dit recht uitsluit. De vragen vergen nadere feitenvaststelling en bewijslevering.
Omdat de kwestie om gedetailleerd onderzoek en bewijsvoering vraagt en de kortgedingprocedure (kort geding) daarvoor niet geschikt is, wijst de kantonrechter de vorderingen af en geeft impliciet aan dat een bodemprocedure de juiste route is voor uitputtende bewijslevering en een bindende eindafwikkeling.