Rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief - in debat over Vbar
In dit artikel:
In de Tweede Kamer debatteerde minister Karien van Aartsen (SZW) over het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Kern van het voorstel: een civielrechtelijk rechtsvermoeden dat mensen met een uurtarief onder €38 in eerste aanleg als werknemer beschouwt. Wie zich op dat vermoeden beroept, moet niet zelf bewijzen dat hij werknemer is; de opdrachtgever krijgt de taak het tegendeel aan te tonen. Doel is kwetsbare werkenden onderin de arbeidsmarkt te beschermen en constructies tegen te gaan die arbeidsrecht en premiebetaling omzeilen.
De minister benadrukte dat de grens van €38 geen harde, allesbeslissende drempel is: het is geen minimum- of maximumtarief en voldoet een werkrelatie aan de jurisprudentie (zoals eerdere zaken rond Deliveroo en Uber), dan kan iemand ook bij een lager tarief zelfstandig zijn. Het wetsvoorstel moet vooral preventief werken: opdrachtgevers zullen bij lage uurtarieven vooraf beter moeten nadenken over de arbeidsrelatie.
Kamerfracties reageerden verdeeld. CDA en anderen zien het als nuttige bescherming en verwachten dat het een rem zet op schijnzelfstandigheid. DENK noemt het een stap in de goede richting maar te klein; GroenLinks-PvdA vreest dat kwetsbare zzp’ers niet snel de civiele rechter zullen opzoeken en pleit voor handhaving door de Belastingdienst, iets waar de minister aangeeft dat het rechtsvermoeden niet automatisch doorwerkt in fiscale of publiekrechtelijke handhaving. PVV steunt het voorstel maar vraagt zich af of het effect bereikt wordt als mensen niet procederen. VVD, SGP en anderen maken zich zorgen over theorie versus praktijk: veel zzp’ers werken met stuk- of projectprijzen in plaats van een helder uurtarief, en jongeren of starters willen soms bewust voor lagere tarieven kiezen om klanten op te bouwen.
Praktische knelpunten die tijdens het debat naar voren kwamen: hoe en wanneer wordt het uurtarief vastgesteld (vóór of ná de opdracht), de uitvoerbaarheid voor handhavingsinstanties die geen zicht hebben op urenopbouw, en de vraag of de toegang tot de civiele rechter eenvoudig en laagdrempelig genoeg wordt gemaakt (D66 stelde de inzet van de regelrechter voor). Van Aartsen wil dat mensen zich kunnen laten bijstaan door vakbonden of ondernemingsraden en bekijkt of de route via de regelrechter overal mogelijk is.
De Tweede Kamer stemt op 21 april over het wetsvoorstel en over moties die tijdens het debat zijn ingediend. Tegelijk loopt een apart initiatiefwetsvoorstel van VVD, D66, CDA en SGP voor een bredere Zelfstandigenwet, dat op een later moment behandeld wordt.