Slapend dienstverband - geen recht op vakantie met behoud van loon
In dit artikel:
Een Nederlandse kantonrechter heeft geoordeeld dat een werknemer in een zogenoemd "slapend dienstverband" geen recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. De zaak betrof een werknemer die na 104 weken arbeidsongeschiktheid (vanaf 8 november 2023) tot het moment dat zijn contract eindigde (30 april 2025) betaling van niet-genoten vakantiedagen vorderde; in de procedure ging het om enkele honderden uren vakantietegoed. De werkgever weigerde te betalen.
De rechter onderscheidde twee situaties: de wachttijd van artikel 7:629 lid 1 BW (waarbinnen loondoorbetaling voortduurt en re-integratie beoogd is) en het slapend dienstverband (waar de werkgever na twee jaar ziekte geen loon meer betaalt maar het contract niet formeel opzegt). De Arbeidstijdenrichtlijn (art. 7 lid 1) beschermt recht op minimaal vier weken vakantie "met behoud van loon". Omdat bij een slapend dienstverband geen loon wordt doorbetaald, kan volgens de kantonrechter geen sprake zijn van loonbehoud en dus geen beroep op dat richtlijnrecht.
Verder oordeelde de rechter dat re-integratie bij een slapend dienstverband feitelijk ontbreekt en dat de onderliggende doelen van de richtlijn (herstel, rust en bescherming van gezondheid en veiligheid) in die situatie niet effectief worden gediend. Vaak valt de werknemer na de wachttijd terug op een sociale uitkering, die tijdens vakantie doorgaans doorloopt, zodat ook via die weg voorzien is in doorbetaling tijdens vakantie. De vordering van de werknemer werd daarom afgewezen.