Terecht ontslag op staande voet: management fee laten uitbetalen in plaats van salaris

dinsdag, 10 maart 2026 (07:51) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Een hoger beroepshof heeft het ontslag op staande voet van de CEO bevestigd. De werknemer werd in oktober 2024 direct ontslagen omdat hij zich had laten uitbetalen via een managementfee aan zijn eigen vennootschap, terwijl tussen hem en de investeringsmaatschappij (de grootaandeelhouder van zijn werkgever) juist was afgesproken te starten met een arbeidsovereenkomst.

Belangrijkste feiten en tijdlijn
- Januari–maart 2022: de investeringsmaatschappij zoekt een CEO; in februari worden voorwaarden besproken en expliciet gekozen voor een arbeidsovereenkomst. Op 8 maart 2022 tekenen werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst met een bruto maandsalaris van €19.290,12 plus vakantiegeld en mobiliteitsvergoeding.
- 1 juni 2022: de werknemer begint als CEO. Ondanks het arbeidscontract worden er vanaf juni geen reguliere salarissen betaald; in plaats daarvan worden voorschotten uitgekeerd (juni/juli 2022).
- 10 maart 2023: de werknemer stort voorschotten terug; vervolgens wordt de betalingenstructuur omgezet naar een managementfee die maandelijks aan zijn persoonlijke vennootschap wordt gefactureerd en uitbetaald.
- 25–26 mei 2023: de investeringsmaatschappij vraagt om de managementovereenkomst en krijgt van de werknemer de verklaring dat formeel alleen een arbeidscontract bestond, maar dat persoon 1 zijn netto-som had omgerekend naar een bruto managementfee en naar zijn BV had laten betalen; een managementovereenkomst “after the fact” zou kunnen worden opgesteld.
- 2 oktober 2024: tijdens een Teams‑gesprek wordt de werknemer geconfronteerd met de afwijkende uitbetalingswijze; aan het einde van dat overleg volgt ontslag op staande voet, schriftelijk bevestigd op 5 oktober 2024.

Rechtsgang en oordeel van het hof
De werknemer verzocht vernietiging van het ontslag en voerde negen grieven aan (onder meer dat er geen dringende reden was, dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en dat er een opzegverbod zou gelden). Zowel de kantonrechter als het hof wezen die verzoeken af. Het hof oordeelt dat de investeringsmaatschappij bewust voor een arbeidsovereenkomst had gekozen en dat de werknemer daarom niet zelfstandig mocht laten uitbetalen op basis van een managementvergoeding zonder hierover de investeringsmaatschappij te informeren of daartoe akkoord te krijgen. Persoon 1, die de voorschotten geregeld had, was niet betrokken bij de onderhandelingen over het contract en wist niet van het arbeidscontract; de werknemer had daarop moeten wijzen. Het feit dat achteraf een managementovereenkomst bespreekbaar was, verandert daar niets aan: zolang geen andere afspraak was gemaakt, gold de arbeidsovereenkomst. Dat de afwijkende betalingsconstructie ruim twee jaar heeft geduurd (juni 2022–september 2024) versterkt de conclusie dat de gedragingen het vertrouwen ernstig hebben geschaad en een dringende reden opleverden.

Conclusie
Het hof bekrachtigt het ontslag op staande voet: de werknemer heeft niet kunnen weerleggen dat zijn handelen – het laten uitbetalen via zijn vennootschap in strijd met de gemaakte afspraken en zonder instemming van de investeringsmaatschappij – een dringende reden vormde.