Tweede Kamer in debat over wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers
In dit artikel:
De Tweede Kamer debatteerde op 9 april 2026 met minister Carola Schouten Vijlbrief (SZW) over het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers, dat flexibele arbeidsrelaties meer zekerheid moet geven en de kloof met vaste contracten wil verkleinen. Centraal staan drie onderwerpen: oproepkrachten, uitzendkrachten en de ketenregeling voor tijdelijke contracten.
Belangrijkste maatregelen:
- Het nulurencontract verdwijnt in principe; een uitzondering blijft gelden voor studenten en scholieren die naast studie werken.
- Het nulurencontract wordt vervangen door een zogenoemd bandbreedtecontract: er komt een vast aantal uren met per kwartaal een variatie van 30% omhoog of omlaag. Minister Vijlbrief stelt dat die 30% genoeg flexibiliteit biedt om pieken en dalen op te vangen, maar daar bestaat discussie over.
- Uitzendkrachten krijgen wettelijk verankerde gelijkwaardige beloning ten opzichte van reguliere werknemers, iets wat eerder al uit Europese rechtspraak volgde.
- Voor structureel werk moet een vast contract de norm zijn. De ketenbepaling, die bepaalt wanneer opeenvolgende tijdelijke contracten leiden tot een vast dienstverband, staat nu op vijf jaar; de minister wil die termijn mogelijk terugbrengen naar drie jaar (zij ontraadt twee jaar), met het doel draaideurconstructies te voorkomen.
Vijlbrief beklemtoonde dat flexibele arbeid nodig blijft voor piekwerk en vervanging bij ziekte, maar dat doorgeschoten flexibilisering mensen onzeker maakt, bijvoorbeeld bij het kopen van een huis. Hij wees erop dat 85% van draaideurconstructies binnen achttien maanden plaatsvindt en dat een termijn van drie jaar bijna alle gevallen zou voorkomen. De minister wil ook terughoudend zijn met extra uitzonderingen op de ketenregeling om de wet niet te ondermijnen.
De Kamer stemt op 21 april over amendementen en moties die tijdens het debat zijn ingediend; de besluitvorming over het hele wetsvoorstel staat gepland voor 12 mei. Kritiek uit de Kamer en van werkgevers richt zich vooral op of de bandbreedte van 30% voldoende is en op de gevolgen voor administratieve lasten en arbeidsmarktflexibiliteit.