UWV legt onterecht geen loonsanctie op, vergoeding voor pensioenschade

dinsdag, 20 januari 2026 (10:22) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat een ex-werknemer recht heeft op schadevergoeding omdat UWV ten onrechte geen loonsanctie tegen zijn werkgever heeft opgelegd. Door het ontbreken van die sanctie liep de werknemer pensioenaanspraken mis: in het derde ziektejaar is er geen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie betaald.

Feiten en procedure: de man werkte als sales director en verdiende meer dan het maximum dagloon voor werknemersverzekeringen. Hij meldde zich ziek op 31 oktober 2016. Tijdens de tweejarige wachttijd voor de WIA betaalde de werkgever loon door, maar in het tweede ziektejaar was dat beperkt tot 70%. Op 1 november 2018 kende UWV met ingang van 30 oktober 2018 een WIA-uitkering toe omdat de werknemer voor 80–100% arbeidsongeschikt was. UWV stelde in dat besluit ook dat de werkgever onvoldoende had gedaan aan re-integratie en dat, als UWV tijdig had gehandeld, een verlenging van de loondoorbetalingsplicht aan de orde had kunnen zijn. UWV informeerde de werkgever echter niet vóór het einde van de wachttijd en heeft later het bezwaar van de werknemer (3 januari 2019) afgewezen.

Rechtsvraag en afwegingen: de werknemer vond dat UWV onrechtmatig handelde en hem schadevergoedingen verschuldigd was omdat een loonsanctie opgelegd had moeten worden. De rechtbank erkende dat UWV een loonsanctie had moeten opleggen en dat dit onrechtmatig was, maar wees een deel van de gevorderde schade af. De rechtbank oordeelde dat loonschade niet aannemelijk was omdat de werkgever op grond van art. 7:629 BW in samenhang met art. 25 WIA niet verplicht was meer dan 70% van het maximum dagloon te betalen in het derde ziektejaar; die 70% was ook de hoogte van de WIA-uitkering, zodat een eventueel gemist loon door die uitkering is gecompenseerd. Individuele afspraken of een cao-regeling die meer zekerheid zouden geven, waren niet aangetoond.

Pensioenschade: de rechtbank berekende aanvankelijk de pensioenschade (uitgesmeerd over de gemiste werkgeverspremie) op €1.360 en wees ook wettelijke rente toe vanaf 30 oktober 2018. In hoger beroep stelde de Centrale Raad de pensioenschade echter hoger vast: de Raad volgde de ex-werknemer en legde de vergoeding voor pensioenschade vast op €6.589,36. UWV heeft overigens erkend dat een loonsanctie had moeten worden opgelegd.

Wat betekent dit praktisch: de werknemer krijgt geen vergoeding voor loonschade omdat die volgens de rechter volledig is gecompenseerd door de WIA-uitkering (beide 70% van het maximum dagloon). Wel is sprake van een verhaalsmogelijkheid voor de door de werkgever misgelopen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie; de Centrale Raad heeft daarvoor een substantiëler bedrag toegekend dan de rechtbank. Daarnaast moet UWV wettelijke rente betalen vanaf de datum waarop de loonsanctie zou zijn ingegaan.

Kortom: UWV faalde in tijdig handhaven door geen loonsanctie op te leggen; dit voert tot aansprakelijkheid voor pensioenschade ten gunste van de ex-werknemer, terwijl loonsverlies door de WIA-uitkering is gedekt.