Vast contract ontstaan op grond van cao en ketenregeling?
In dit artikel:
Werknemer vordert loon omdat hij meent dat zijn arbeidsrelatie met de werkgever moet worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij baseert zich primair op artikel 12 en 13 van de CAO Metaal en Techniek (deel Technisch Installatiebedrijf) en subsidiair op de ketenregeling (art. 7:668a BW). Werkgever houdt vol dat partijen een bepaalde tijdscontract hebben overeengekomen dat op 31 maart 2026 eindigt. De kantonrechter wijst de vordering af.
Feiten en verloop
- Werknemer trad op 5 februari 2024 in dienst op basis van een bepaalde tijdsovereenkomst (aanvankelijk zeven maanden). In de loop van opvolgende periodes zijn verlengingsvragen aan de orde gekomen.
- Op 3 maart 2025 berichtte de Head of Service per e-mail dat beide contracten “met één jaar” verlengd moesten worden; HR vroeg vervolgens aan leidinggevenden dit aan medewerkers te communiceren en zou later een officiële brief sturen.
- Op 4 maart 2025 vond een WhatsApp-videogesprek plaats waarbij de leidinggevende mondeling mededeelde dat het contract verlengd zou worden. Werknemer is na 3 april 2025 feitelijk blijven doorwerken en ontving loon; vanaf 18 april 2025 werd hij volledig arbeidsongeschikt.
- Op 4 mei 2025 kreeg werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (ingangsdatum daarin: 4 mei 2025; einddatum: 31 maart 2026), die hij op 7 mei 2025 ondertekende. Tijdens communicatie over loon en kwalificatie ontstond onduidelijkheid over of dit een nieuwe (vierde) overeenkomst was of slechts schriftelijke vastlegging van de mondeling overeengekomen verlenging van 4 maart 2025.
Argumenten partijen
- Werknemer: de CAO moet zo worden uitgelegd dat bij het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst een contract voor onbepaalde tijd geldt; herstel achteraf of terugwerkende schriftelijke vastlegging is volgens hem niet toegestaan. Subsidiar stelt hij dat door het feitelijk doorwerken tussen 3 april en 4 mei 2025 en de ondertekening daarna, op 4 mei 2025 feitelijk een vierde tijdelijke overeenkomst is ontstaan die volgens de ketenregeling automatisch een contract voor onbepaalde tijd maakt.
- Werkgever: er was wel degelijk een mondelinge verlenging vóór het aflopen van de vorige overeenkomst (4 maart 2025) en die is later schriftelijk vastgelegd. De schriftelijkheidsvoorwaarde van de CAO is bedoeld voor duidelijkheid, niet om een latere administratieve vastlegging automatisch om te zetten in een vast dienstverband. De vermeende “vierde” overeenkomst op 4 mei 2025 bevat een fout in de begindatum (mei in plaats van april) door een typefout bij invoer; het betreft slechts een schriftelijke weergave van de reeds op 4 maart gesloten tijdelijke verlenging.
Overwegingen en oordeel rechtbank
- De kantonrechter oordeelt dat er wél sprake is van een schriftelijke overeenkomst; ook al is deze niet vóór het verstrijken van de voorgaande termijn opgemaakt, is feitelijk een nieuwe schriftelijke overeenkomst aanwezig. Het volledige ontbreken van schriftelijkheid — waarop werknemers een automatische conversie naar onbepaalde tijd zouden kunnen baseren volgens zijn uitleg van de CAO — is hier niet aan de orde.
- Verder acht de rechter aannemelijk dat partijen op 4 maart 2025 mondeling een bepaalde tijdsovereenkomst zijn overeengekomen en dat deze later, door een administratieve fout, op 4 mei 2025 is vastgelegd met een onjuiste begindatum. De HR-manager verklaarde dat hij per abuis de maand mei invoer. Daarmee is geen sprake van een aparte vierde overeenkomst die de ketenregeling activeert.
- Omdat er een bepaalde tijdsovereenkomst geldt tot 31 maart 2026, is de loonvordering vanaf die datum onvoldoende onderbouwd en wordt zij afgewezen.
Conclusie
De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af: de relatie wordt aangemerkt als een bepaalde tijdsovereenkomst die eindigt op 31 maart 2026; noch de door werknemer voorgeschreven uitleg van de CAO, noch toepassing van de ketenregeling leidt hier tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.