Verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen: hoofdpijndossier voor veel ondernemingen
In dit artikel:
Deelname aan een verplicht bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) is voor ondernemingen geen keuze. Op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 kan een hele sector onder een verplichtstelling vallen. Dat geldt voor ongeveer 80 procent van de Nederlandse ondernemingen. De vraag of een bedrijf moet aansluiten, wordt bepaald door de feitelijke werkzaamheden en niet door bijvoorbeeld de statutaire omschrijving, website of SBI-code bij de Kamer van Koophandel.
De werkingssfeer verschilt per fonds. Sommige fondsen kijken vooral naar omzet of loonkosten, andere naar de functies van werknemers. Bij ondernemingen met meerdere activiteiten, zoals een groothandel die ook producten bewerkt of een IT-bedrijf dat naast softwareontwikkeling personeel detacheert, kan daardoor onduidelijkheid ontstaan. Vaak bepaalt het hoofdzakelijkheidscriterium welke activiteit overheerst, maar niet alle fondsen gebruiken dat criterium. Daardoor kunnen meerdere fondsen aanspraak maken op aansluiting en komt de onderneming tussen beide te staan.
Een verkeerde inschatting kan leiden tot aansluiting met terugwerkende kracht en een forse premievordering, inclusief rente. Ondernemingen moeten daarom bij de start, periodiek en bij wijzigingen, fusies of overnames laten onderzoeken of zij onder een werkingssfeer vallen. In bepaalde gevallen is vrijstelling mogelijk. Het Vrijstellingsbesluit kent zes limitatieve gronden; bij vijf daarvan moet het fonds vrijstelling verlenen als aan de voorwaarden is voldaan, terwijl het fonds bij de zesde grond beoordelingsruimte heeft. Voorwaarden kunnen onder meer zien op de tijdigheid en gelijkwaardigheid van een bestaande pensioenregeling.
Premies kunnen in beginsel worden gevorderd vanaf het moment waarop de onderneming onder de werkingssfeer viel. De Hoge Raad bepaalde in het Booking-arrest dat voor dergelijke vorderingen een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Die termijn begint te lopen vanaf de dag na de opeisbaarheid van de premie, niet pas vanaf het moment waarop het fonds de onderneming ontdekt. Ook rechtsverwerking kan onder bijzondere omstandigheden een verweer zijn, al is alleen langdurig stilzitten van het fonds daarvoor onvoldoende.
Bij een dwangbevel wegens onbetaalde premies moet de onderneming snel handelen: binnen dertig dagen moet een verzetdagvaarding worden uitgebracht om executie te voorkomen en de aansluitplicht te betwisten. Daarnaast kunnen bestuurders hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. Die aansprakelijkheid kan worden beperkt door betalingsonmacht schriftelijk en volledig te melden binnen veertien dagen na de betaaldatum van de premie. Gebeurt dat niet tijdig, dan wordt vermoed dat de bestuurder verantwoordelijk is. Ook na een correcte melding blijft aansprakelijkheid mogelijk bij kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Tijdig werkingssfeeronderzoek, correcte aanmelding en open communicatie met het pensioenfonds zijn daarom essentieel. Vooral bij betalingsproblemen kan een snelle en juiste melding zowel de onderneming als haar bestuurders grote financiële schade besparen.
Vandaag Inside: Virgil van Dijk kritisch: 'Dát hebben we besproken, maar hebben we niet gedaan'