Voorwaarden doorbetaaldloonregeling in AB-verhoudingen: standpunt Belastingdienst
In dit artikel:
De Belastingdienst (Kennisgroep loonheffing algemeen) heeft verduidelijkt dat de doorbetaaldloonregeling ook kan worden toegepast wanneer feitelijk geen loon is genoten; het eerdere standpunt KG:204:2022:6 is ingetrokken. Het betreft een casus waarbij een natuurlijk persoon (X) 100% eigenaar is van een holding-bv die op haar beurt vier dochtervennootschappen bezit. X verricht werkzaamheden voor die vennootschappen zonder arbeids- of opdrachtovereenkomsten en zonder beloning. Na afloop van het jaar constateerde de inspecteur dat de gebruikelijkloonregeling (artikel 12a Wet LB 1964) onjuist niet was toegepast.
De kernuitkomst: ook als er geen daadwerkelijk betaald loon is, kan de doorbetaaldloonregeling (artikel 32d Wet LB 1964) van toepassing zijn, omdat onder die regeling "loon" mede wordt verstaan als fictief loon op grond van artikel 12a. Dit maakt het mogelijk om de gebruikelijkloonregeling alsnog op holding- of concernniveau toe te passen (artikel 12a, derde lid). Met andere woorden: als de voorwaarden van artikel 32d zijn vervuld, kan een fictief gebruikelijk loon worden toegerekend en bij de juiste entiteit voor loonheffing worden betrokken.
Praktische betekenis: meerderheidsaandeelhouders die onbetaald werkzaamheden verrichten kunnen toch aan een minimumfictieloon worden gehouden en daarmee aan loonheffing worden onderworpen, ook wanneer de beloning niet concreet is uitgekeerd. Organisaties en DGA’s dienen hiermee rekening te houden en bij twijfel fiscaal advies in te winnen, omdat de Belastingdienst bij toepassing van artikel 12a/32d de gebruikelijkloonregeling op concernniveau kan afdwingen.