Vraag aan Hoge Raad over opbouw vakantiedagen tijdens slapend dienstverband

dinsdag, 3 maart 2026 (09:22) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Een kantonrechter overweegt de Hoge Raad om verduidelijking te vragen over een centraal arbeidsrechtelijk geschil: bouwt een werknemer die na twee jaar ziekte in een slapend dienstverband verkeert vakantiedagen op tegen loonwaarde? De vraag komt voort uit een zaak tussen een arbeidsongeschikte werkneemster en haar voormalige werkgever over de duur van het dienstverband, de berekening van de transitievergoeding en de vraag of zij na afloop van de loondoorbetalingsperiode (104 weken) nog recht heeft op betaalde vakantiedagen.

Feiten kort: de werkneemster was arbeidsongeschikt sinds 30 juli 2023; de werkgever stopte met loondoorbetaling per 27 juli 2025 en vroeg bij het UWV ontslagvergunning aan, waarna het dienstverband met ingang van die datum werd beëindigd. De werkgever betaalde een transitievergoeding van bruto €13.866,89 en betaalde vakantiedagen uit die waren opgebouwd tot 27 juli 2025. De werkneemster betwist zowel de aanvangsdatum van haar dienstverband (zij zegt 16 april 1976; de werkgever stelt 30 maart 2006) als de berekeningsgrondslag voor de transitievergoeding, en eist verder betaling van vakantiedagen waarvan zij stelt dat die na afloop van de twee jaar ziekte zijn opgebouwd tijdens het slapende dienstverband.

De kantonrechter laat de werkneemster bewijs leveren over de duur van het dienstverband en geeft partijen gelegenheid om te reageren op de vraag hoe de transitievergoeding moet worden berekend in het licht van jurisprudentie over onregelmatige opzeggingen. Voor het geschil over vakantieopbouw wil de rechter een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen: of tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen tegen loonwaarde worden opgebouwd — een vraag die volgens de kantonrechter niet alleen voor deze zaak nodig is, maar ook voor veel vergelijkbare procedures die nog volgen.

Achtergrond en belang: eindigt na twee jaar ziekte vaak een periode waarin formeel het arbeidscontract voortduurt maar de werknemer geen loon meer ontvangt en geen passend werk is; dit creëert veel juridische onduidelijkheid over rechten die in die periode ontstaan. Rechters op het kantonniveau hebben al uiteenlopende uitspraken gedaan en ook de literatuur is verdeeld. De kantonrechter geeft partijen tot 16 maart 2026 om zich schriftelijk uit te laten over het voornemen en over de precieze formulering van de vraag aan de Hoge Raad.