Vraag aan HR: bouwt werknemer vakantiedagen op tijdens slapend dienstverband?

woensdag, 18 maart 2026 (11:51) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

De kantonrechter wil de Hoge Raad laten beslissen of een arbeidsongeschikte werknemer tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen opbouwt tegen loonwaarde. In een tussenbeschikking van 2 maart 2026 formuleerde de rechter de prejudiciële vraag of, anders dan in artikel 7:634 lid 1 BW zou volgen, tijdens de periode dat het dienstverband formeel voortduurt maar de werknemer geen loon en geen re-integratieverplichtingen heeft, rechten op vakantiedagen blijven ontstaan tegen loonwaarde.

Feitelijk gaat het in deze zaak om de periode van 27 juli 2025 (einde van de tweejarige loondoorbetalingsverplichting) tot 21 augustus 2025, toen sprake was van een slapend dienstverband; de werkneemster vordert uitbetaling van tijdens die periode opgebouwde vakantiedagen. De kantonrechter zegt dat een antwoord van de Hoge Raad nodig is om over deze specifieke vordering te beslissen en dat de uitspraak betekenis heeft voor veel vergelijkbare zaken die verwacht worden.

De kwestie speelt vaak doordat werkgevers na twee jaar ziekte toestemming voor ontslag bij het UWV moeten aanvragen, waardoor een tussentijdig slapend dienstverband kan ontstaan, of doordat werkgevers het dienstverband (langere tijd) niet formaliseren en werknemers later procedures starten (onder meer via een zogenoemd Xella-verzoek). De lagere rechtspraak is verdeeld: er zijn meerdere procedures gevoerd, enkele schikkingen gesloten en zes kantonrechtersuitspraken met deels tegenstrijdige uitkomsten. Ook de literatuur geeft geen eenduidig antwoord, en bij gerechtshoven liggen nog geen zaken.

Partijen in de zaak hebben geen bezwaar tegen het stellen of de formulering van de prejudiciële vraag; de kantonrechter verzoekt de Hoge Raad dan ook om daarover duidelijkheid te verschaffen.