Werknemers met slapend dienstverband geen recht op bonus, geen arbeidsvoorwaarde

woensdag, 11 februari 2026 (09:51) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

Voormalig aandeelhouder niet aansprakelijk voor uitsluiting van slapend dienstverband; vorderingen afgewezen

Een groep oud-werknemers die sinds 2015 arbeidsongeschikt was geraakt en daardoor een ‘slapend’ dienstverband had (zij ontvingen WIA-uitkering en geen loon), eiste betaling van een eenmalige bonus nadat die door de (voormalig) aandeelhouder aan personeel was toegekend. De bonus was bestemd voor personen die op 17 april 2019 een actief dienstverband hadden en toen langer dan een jaar in dienst waren. De oud-werknemers vielen daar niet onder omdat zij op die datum geen recht op loon meer hadden. De eenmalige bonus werd door de aandeelhouder bepaald maar uitvoerig uitbetaald via de loonadministratie van de onderneming.

De oud-werknemers stelden dat dit indirect onderscheid maakte wegens hun chronische ziekte in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/ch) en eisten daarnaast inzage in de verdeelsleutel voor de hoogtebepaling van de bonussen. Zij hadden vooraf al een klacht ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens; dat college verklaarde de klacht tegen de onderneming niet-ontvankelijk (wegens finale kwijting in een later getekende vaststellingsovereenkomst met de onderneming) en oordeelde dat het niet bevoegd was om over het handelen van de aandeelhouder te beslissen.

De kantonrechter wees de vorderingen toe. Belangrijke overwegingen waren dat de aandeelhouder niet als werkgever kan worden aangemerkt: zij oefende geen zeggenschap uit over individuele arbeidsovereenkomsten of arbeidsvoorwaarden en was geen partij bij de vaststellingsovereenkomst tussen de oud-werknemers en de onderneming. Verder kwalificeerde de eenmalige, discretionaire bonus volgens de rechtbank niet als een arbeidsvoorwaarde in de zin van de Wgbh/ch maar als een schenking/gift; dat betekent dat de wettelijke non-discriminatiebepaling over arbeidsvoorwaarden hier niet van toepassing is. Omdat het handelen van de aandeelhouder buiten de reikwijdte van artikel 4 Wgbh/ch valt, hoefde de rechter niet te onderzoeken of er inderdaad verboden onderscheid was of of een objectieve rechtvaardiging bestond. De gevraagde inzage in de verdeelsleutel voor de bonussen werd eveneens geweigerd.

Kortom: de rechtbank concludeerde dat de voormalige aandeelhouder niet onrechtmatig had gehandeld jegens de oud-werknemers en wees hun vorderingen af, onder meer omdat de bonus niet als arbeidsrechtelijk rechtgold en de aandeelhouder niet als werkgever kon worden aangemerkt.