Wet meer zekerheid flexwerkers: wijzigingen ketenregeling, oproepcontract en uitzendkrachten

woensdag, 19 augustus 2026 (10:36) - Salaris Vanmorgen

In dit artikel:

De Wet meer zekerheid flexwerkers treedt op 1 januari 2028 in werking. De wet moet werknemers met tijdelijke, oproep- en uitzendcontracten meer zekerheid geven over hun inkomen, werktijd en arbeidsvoorwaarden en draaideurconstructies met tijdelijke contracten beperken.

Voor de ketenregeling wordt de huidige tussenpoos vervangen door een administratieve vervaltermijn van 36 maanden. Pas na die periode kan bij dezelfde werkgever of bij opvolgend werkgeverschap een nieuwe keten van tijdelijke contracten beginnen. Dit geldt ook voor uitzendcontracten en situaties waarin een vast contract wordt opgevolgd door een tijdelijk contract voor hetzelfde werk. Scholieren en studenten met een bijbaan houden een tussenpoos van zes maanden, maar het urencriterium wordt verhoogd van 12 naar 16 uur per week. Voor terugkerend tijdelijk werk, zoals seizoensarbeid, blijft onder voorwaarden een tussenpoos van drie maanden mogelijk.

Werkgevers kunnen straks niet meer via een cao afwijken van het maximumaantal en de maximale duur van tijdelijke contracten. Bij opvolgend werkgeverschap mag een cao nog wel afwijken van het aantal contracten, maar niet meer van de duur. Cao’s moeten hierop worden aangepast.

Oproepcontracten worden in principe afgeschaft. Daarvoor komt een arbeidsovereenkomst met een vaste arbeidsomvang van minimaal één uur. Als geen omvang is afgesproken, wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal uren in de drie voorafgaande maanden, met een minimum van drie uur per week. Een contract kan maximaal een jaar als tijdseenheid hebben, bijvoorbeeld via een jaarurennorm, maar werknemers krijgen daarbij meer roosterzekerheid en moeten per kwartaal kunnen aangeven wanneer zij niet beschikbaar zijn.

Min-maxcontracten worden beperkt tot bandbreedtecontracten. Daarin ligt een minimumaantal uren vast en mag het maximum niet meer dan 130 procent van dat minimum bedragen. De beschikbare werkdagen en -uren moeten vooraf worden vastgelegd en mogen eveneens maximaal 130 procent van de minimumuren omvatten. Werknemers zijn in beginsel alleen binnen die grenzen verplicht te werken. De bestaande oproeptermijn van vier dagen blijft gelden. Voor bepaalde groepen, zoals minderjarigen, scholieren, studenten, AOW-gerechtigden en uitzendkrachten in fase A, blijven uitzonderingen op de nieuwe regels mogelijk.

Voor uitzendkrachten wordt fase A verlengd van 26 naar 52 weken. Fase B wordt verkort van drie naar twee jaar en omvat maximaal zes contracten. In totaal duurt de uitzendrelatie daardoor maximaal drie jaar; daarna geldt de overeenkomst als permanent. Ook voor uitzendkrachten wordt de tussenpoos 36 maanden, behalve voor scholieren en studenten met een bijbaan. Het uitzendbeding mag bovendien niet meer worden ingeroepen wanneer een uitzendkracht ziek is.

Uitzendkrachten houden recht op arbeidsvoorwaarden die minstens gelijkwaardig zijn aan die van werknemers in vergelijkbare functies bij de inlener. Voor essentiële voorwaarden, zoals loon en vergoedingen, moet het totale pakket gelijkwaardig zijn. Voor niet-essentiële voorwaarden geldt eveneens minimaal gelijkwaardigheid. De precieze invulling daarvan moet nog worden vastgesteld; uitzendkrachten kunnen hierdoor in veel gevallen recht krijgen op een hoger loon of betere voorwaarden.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Raymond Mens reageert op uitspraken Albert Verlinde: 'Hij slaat de plank een beetje mis...'