Wettelijke verhoging en rente over te laat betaald salaris, onterecht ingehouden IKB
In dit artikel:
Een werknemer klaagde bij de kantonrechter tegen haar werkgever, de gemeente, wegens onjuiste verrekening van een WIA‑uitkering en onterecht ingehouden bedragen op haar individueel keuzebudget (IKB). Belangrijke data en feiten: de werknemer meldde zich ziek op 1 november 2021; het UWV kende op 3 mei 2024 met terugwerkende kracht per 30 oktober 2023 een WIA‑uitkering toe (arbeidsongeschiktheid 80–100%). Aanvankelijk liet de werknemer de uitkering aan de gemeente uitbetalen; later vroeg ze het UWV om de betaling vanaf 1 november 2024 rechtstreeks aan haar te doen, omdat ze verwachtte na drie jaar uit dienst te treden.
Te late en onjuiste salarisbetaling (mei 2024)
- Bij de salarisbetaling in mei 2024 kreeg de werknemer netto € 704,45 in plaats van haar normale loon; dit bleek te komen door een foutieve verrekening met de WIA. Na bezwaar betaalde de gemeente op 20 juni 2024 een nabetaling van netto € 1.658,58.
- De werknemer vorderde daarom de wettelijke verhoging wegens vertraagde betaling en wettelijke rente over dat bedrag. De gemeente erkende de fout, zodat de kantonrechter toepassing gaf aan artikel 7:625 BW (verhoging bij loonschuld).
- De werknemer berekende aanvankelijk 35 dagen te laat, maar de rechter rekende in werkdagen (24 werkdagen tussen 17 mei en 20 juni 2024). Dat zou neerkomen op een verhoging van € 680,02 (41% van € 1.658,58); de rechter matigde die verhoging echter tot de helft wegens kennelijke fout zonder kwade opzet en kende € 340,01 netto toe.
- Daarnaast is de wettelijke rente over de nabetaling voor de periode 17 mei–20 juni 2024 toegewezen.
Inhouding op IKB en pensioenpremie (november–december 2024)
- Vanaf november 2024 keerde het UWV de WIA‑uitkering rechtstreeks aan de werknemer uit; de gemeente bracht daarom geen brutosalaris meer uit die maanden in mindering op de uitkering. Desondanks hield de gemeente in november en december 2024 elke maand € 683,49 bruto in op het IKB en daarnaast € 294,79 bruto aan pensioenpremie.
- De kantonrechter keek naar de bruto WIA‑uitkering (€ 3.311,22 bruto over beide maanden) en het bruto salaris dat zonder WIA zou zijn betaald (€ 2.892,63 bruto). Omdat de bruto WIA hoger was, was er feitelijk geen brutosalaris verschuldigd; wel concludeerde de rechter dat de inhouding op het IKB (€ 683,49 per maand) onterecht was omdat de gemeente niet aannemelijk maakte waarom loonheffing ingehouden moest worden op dat IKB‑component.
- De gemeente mocht echter wel de pensioenpremie inhouden: de werknemer bleef in dienst en de inhouding komt haar pensioenopbouw ten goede. Teruggave van de pensioenpremies werd daarom afgewezen.
- De gemeente is veroordeeld tot betaling van € 1.366,98 bruto (€ 683,49 × 2) voor de beide maanden, met toekenning van wettelijke verhoging en rente. De wettelijke verhoging is gematigd tot 25% vanwege de fout zonder kwade wil.
Slotresultaat (belangrijkste uitkomsten)
- Toekenning van netto € 340,01 als gematigde wettelijke verhoging voor de te late nabetaling van mei 2024, plus wettelijke rente over de nabetaling van netto € 1.658,58 voor de periode 17 mei–20 juni 2024.
- Terugbetaling door de gemeente van € 1.366,98 bruto voor onterecht ingehouden IKB over november en december 2024, met daarbij een gematigde wettelijke verhoging (25%) en wettelijke rente.
- Teruggave van de ingehouden pensioenpremies werd geweigerd omdat die inhoudingen gerechtvaardigd waren en in het belang van de pensioenopbouw van de werknemer stonden.
Kort gezegd: de gemeente maakte fouten in de verrekening van WIA en in inhoudingen op het IKB, waarvoor zij financiële herstelbetalingen, een gematigde wettelijke verhoging en rente moet voldoen; de pensioeninhoudingen blijven staan.