WIA-dagloon ijshockeyer die daarna als financieel adviseur werkte wijzigt toch
In dit artikel:
Een man met twee banen (ijshockeyspeler en later financieel adviseur) kreeg in hoger beroep gelijk van de Centrale Raad van Beroep over de berekening van zijn WIA-dagloon. Kern van de zaak: UWV weigerde het eerder vastgestelde WIA-dagloon te verhogen op grond van artikel 13a WIA omdat de tweede ziekmelding (waaruit een nieuw WIA-recht zou volgen) al plaatsvond vóór het ontstaan van zijn eerste WIA-uitkering.
Feiten en procedure
- Werkzaamheden: vanaf 1 sep 2015 werkte de man 15 uur per week als ijshockeyspeler; vanaf 1 sep 2016 werkte hij daarnaast 32 uur per week als financieel adviseur.
- Ziekmeldingen: uitval als ijshockeyspeler op 14 dec 2016; uitval als financieel adviseur op 6 aug 2018.
- UWV-besluiten: op 12 dec 2018 kende UWV een loongerelateerde WGA-uitkering toe gebaseerd op een referteperiode 1 dec 2015–30 nov 2016. Het WIA-maandloon werd vastgesteld op €2.633,06 en het dagloon op €121,06. Later zette UWV de uitkering om en verlengde de loongerelateerde periode vanwege de tweede ziekmelding, maar weigerde het dagloon aan te passen. In een dagloonrapport had UWV voor het niet-ontstane tweede WIA-recht na indexatie een dagloon berekend van €222,78, maar dat werd niet toegepast op de lopende uitkering.
Rechtsgrond en geschil
- UWV beriep zich op artikel 13a WIA: het dagloon mag opnieuw worden vastgesteld als iemand “na het ontstaan van het recht op uitkering op grond van deze wet ziek is geworden”. Omdat de man voor zijn eerste WIA-uitkering al ziek was geworden uit het tweede dienstverband, zou hij niet aan die voorwaarde voldoen. De rechtbank gaf UWV gelijk en verklaarde het beroep ongegrond. De man vond de niet-aanpassing onevenredig en strijdig met de verzekeringsgedachte: in de referteperiode voorafgaand aan zijn tweede ziekmelding had hij twaalf maanden een hoger loon als financieel adviseur gekregen en premies betaald.
Beoordeling door de Centrale Raad van Beroep
- De Raad oordeelt dat de strikt letterlijke toepassing van artikel 13a in deze concrete zaak tot een onredelijk en onevenredig resultaat leidt. Bijzonderheden (onder meer dat de man langere tijd en volledig premieplichtig werkte als financieel adviseur met hoger loon) zijn door de wetgever niet meegenomen in de normering van artikel 13a.
- De Raad vroeg de minister naar de achtergrond van die wettelijke beperkende voorwaarde, maar ontving geen inhoudelijke uitleg. Dat gebrek aan toelichting versterkte het oordeel dat toepassing van artikel 13a hier in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel.
- Daarnaast oordeelt de Raad dat ziekengeld wel degelijk onder het begrip loon valt voor de toepassing van artikel 13 en 13a WIA; ziekengeld is in die bepalingen niet uitgesloten. Daarom moet bij de vaststelling van het dagloon uit het tweede dienstverband ook het in de referteperiode ontvangen ziekengeld worden meegerekend.
Uitkomst
- Omdat toepassing van artikel 13a strikt in deze situatie onaanvaardbaar zou zijn, laat de Raad die voorwaarde buiten beschouwing en stelt zelf het dagloon vast. In het dossier was het dagloon voor het hypothetische tweede recht na indexering en maximering berekend op €222,78 per 1 juli 2020; de Raad laat het relevante loon uit het tweede dienstverband, inclusief ziekengeld, meewegen bij de nieuwe vaststelling.
Betekenis en context
- De uitspraak benadrukt dat wettelijke criteria die tot hardheidsgevallen leiden door de rechter kunnen worden doorbroken op grond van het evenredigheidsbeginsel wanneer de wetgever geen motivering of ruimte heeft gegeven voor bijzondere gevallen.
- Praktisch betekent dit voor verzekerden met opeenvolgende of gelijktijdige dienstverbanden: een eerder vastgesteld WIA-dagloon kan in uitzonderlijke omstandigheden worden aangepast ook als de tweede ziekmelding voorafgaat aan het formeel ontstaan van de eerste WIA-uitkering, en ziekengeld moet bij de loonberekening worden betrokken.